Ensis magnus [Schumacher, 1817]
Grote zwaardschede
index - tweekleppigen - Pharidae - Ensis
 Overzicht  
 Beschrijving Hoogte lengte verhouding 1:8
 Determinatie Scheermessen artikel
 Lijkt op Amerikaanse zwaardschede
 Tijdvak vanaf Plioceen
 Synoniemen Ensis arcuatus [Jeffreys, 1865]
 
 Het leven  
 Bevruchting juli tot oktober
 Broed augustus tot november
 Voedsel phytoplankton
 Vijand Vis (tong, schol, schar, kabeljauw, schelvis, wijting), mens (voor zowel voedsel als vis aas)
 Habitat Meestal in grof sediment tussen 15 en 40 meter diepte, in Noorse wateren zelfs tot 100 meter diepte3
 Voortbeweging Ingraven: Als de schelp plat op de bodem ligt graaft de voet zich met een bocht in het zand, zodanig dat hij vertikaal zich kan ingraven. Hierbij komt hij eerst schuin en later recht te staan.
Bij het rechtstandig ingraven wordt de voet snel uitgestoken en met de spitse punt in het zand gedreven. Deze punt buigt zich vervolgens haakvormig om naar de dorsale kant. Bij de derde fase verbreedt de voet zich tot een soort stempel. Deze drie bewegingen kunnen zich een aantal malen in dezelfde volgorde herhalen, totdat de voet op maximale lengte buiten de schelp is. Daarna verbreedt de stempelvormige zool zich zeer sterk en werkt als een anker, terwijl de voet zich in de lengte richting verkort en de schelp omlaag trekt. Voor de contractie van de voet sluit de schelp zich zoveel mogelijk. Trekt de voet zich krachtig samen dan wordt uit de schelpruimte van het dier een groot deel van het water geperst, zowel opwaarts door de siphonen als benedenwaarts via de pedale opening, waarmee tevens het omringende zand wordt weggespoeld. De bewegingen hebben regelmatig en snel plaats.
 Saleniteit tussen de 30 en 40 PSU
 Verspreiding Van Noord-Noorwegen en de Far Oer tot aan en in de Middellandse Zee en in de Zwarte Zee. Niet in de Oostzee
 
 De Schelp  
 Basis vorm lang gerekt, in het midden iets breder dan de uiteinden, iets gebogen
    Hoogte 24 mm
    Lengte 175 mm
    Semidiameter 20 mm
    Dikte stevig
    Voorrand gapend, iets afgerond, zeer flauw verdikt
    Achterrand gapend, afgeknot
    Apex zeer dicht bij de voorrand, niet uitstekend
 Periostracum  
    Periostracum dikte resistent
    Periostracum kleur geelbruin
    Periostracum structuur glanzend
 Ostracum  
    Ostracum kleur wit, met bruine en paarse banden of strepen
    Ostracum structuur iets glanzend
    Kiel van de top naar de beneden-achterrand, scheidt twee velden met verschillende sculptuur en tekening
    Binnenkant kleur wit, bij jonge exemplaren schemert de tekening van de buitenzijde door
    Binnenkant structuur glanzend
 Slot  
    Ligament uitwendig
    Tensilium vorm Tensilium vorm:
    Tensilium plek Tensilium plek:
    Slottanden L: 3
R: 2
    Cardinale tanden L: 2; kort en klauwvormig
R: 1; kort en klauwvormig
    Laterale tanden L: 1; lang, lijstvormig, bijna parallel aan de bovenrand
R: 1; lang, lijstvormig
    Mantelbocht diep, op ongeveer 1/6 van de totale lengte van de achterrand
 Sluitspieren  
 
 Het Weekdier  
 Mantelrand vergroeid, behalve voor de siphonen, de voet en een ventrale opening (die ook kan ontbreken)
 Siphonen kort, grotendeels vergroeid, alleen aan de uiteinden gescheiden en dragen daar elk een krans van tasters
 Sluitspieren  
 Voet  
    Voet vorm lang en relatief smal
    Byssusklier bij jonge exemplaren op de voet
 
 Bronnen  
 Tekst 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943.
2 - http://www.anemoon.org/anm/etymologie/zeeschelpen/ensis
3 - Craeymeersch, J.A. & M.R. van Stralen & J.W. Wijsman & J. Kesteloo & J. Perdon & I. de Mesel, Ontwikkeling van een monstertuig voor bestandsopnames van mesheften, IMARES, 31 december 2007
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl