|
Om een schelp goed te kunnen beschrijven of determineren is het belangrijk om te weten hoe naar een schelp te kijken en dezelfde terminologie te gebruiken. Dit artikel geeft de beschrijving van de op deze site gebruikte termen voor het determineren van tweekleppigen of bivalvia.
Bij de beschrijving van de determinatie wordt zoveel mogelijk uit gegaan van de enkele klep, daar we op het strand meestal enkele kleppen vinden. Doubletten komen weinig voor.
Bij de beschrijving van de verschillende schelpen komen niet alle in dit document genoemde delen voor.
Kenmerkend voor de tweekleppigen is dat ze bestaan uit twee schalen die het weekdier beschermen. Een ander kenmerkende eigenschap is dat ze allen een gereduceerde kop hebben. De meeste voeden zich met plankton dat ze via hun kieuwen uit het water filteren.
- Beschrijving
- Een algemene beschrijving die min of meer een samenvatting is van de determinatie sectie.
- Vormen
- beschrijving van de verschillende vormen die er bestaan
- Determinatie
- Tips en aanwijzingen voor de determinatie
- Lijkt op
- Schelpen waarmee makkelijk verwarring kan ontstaan. Meestal zijn dit schelpen uit dezelfde genus.
- Vindplaatsen
- Vindplaatsen in Nederland waar de schelp gevonden kan worden, of waar de schelp gevonden is. Sommige soorten komen alleen op heel specifieke plekken voor terwijl anderen langs de gehele Nederlandse kust gevonden kunnen worden.
- Tijdvak
- Tweekleppigen komen al vroeg in de historie van onze planeet voor. Vanaf het Cambrium, ongeveer 500 miljoen jaar geleden, komen de eerste voor. Dit betekent dat sommige soorten die we op onze stranden vinden fosiele overblijfselen zijn van reeds uitgestorven soorten. De tekst hier kan dan ook zijn "vanaf ..." wat betekent dat de soort nog steeds leeft en dus zowel fosiel als vers gevonden kan worden. Een andere mogelijkheid is "van ... tot ..." de soort is dan uitgestorven en kan nog slechts als fosiel gevonden worden.
- Evolutie
- Hoe is de soort ontwikkeld door de eeuwen heen.
- Voorouder
- Als bekend de naam van de vorige generatie
- Etymologie
- De herkomst van de naam van de schelp, dit kan zowel voor de Nederlandse naam als voor de Latijnse naam zijn.
- Synoniemen
- Andere namen die in de literatuur voorkomen. Er wordt veel geschoven met namen. Vroeger ging men voor determinatie en familie bepaling voornamelijk af op uiterlijke kenmerken, maar met de komst van DNA onderzoek moet er soms geconstateerd worden dan een soort bij een andere familie hoort. Oudere literatuur kent dan alleen de oude naam.
- Bijzonderheden
- Wetenswaardigheden die niet in een van de andere secties al behandeld is.
- Bevruchting
- Periode van bevruchting en hoe de bevruchting plaatsvind
- Embryonale fase
- De periode na de bevruchting en voor de geboorte
- Geboorte
- wanneer, na hoeveeltijd en onder welke omstandigheden vind de geboorte plaats
- Larvale fase
- De veliger fase
- Broed
- Het stadium waarbij het vrije leven overgaat naar een bodem leven, de broedval.
- Juveniele fase
- De periode na de broedval en voordat er geslachtsrijpheid optreedt
- Geslachtsrijp
- vanaf welke leeftijd ze instaat zijn om nakomelingen te maken
- Groei
- Overzicht van maten en leeftijd
- Levensverwachting
- dit is meestal de maximale leeftijd die ze kunnen bereiken
- Voedsel
- Wat eten ze zelf
- Filtratie snelheid
- hoeveel water wordt er per uur gefilterd
- Filtratie efficientie
- hoeveel van het opgenomen voedsel komt ten goede van de energiehuishouding
- Vijand
- door wie worden ze gegeten
- Symbiose
- Met wie leeft het dier, al dan niet vrijwillig, samen.
- Habitat
- Een beschrijving van het leefgebied van de tweekleppige. Tweekleppigen kunnen aangetroffen worden in zout-, brak- en zoetwater. 80% leeft echter in zoutwater. Overwegend komen ze voor tussen de 0 en de 100 meter, maar heel soms zelfs tot 11.000 meter diepte. Maar de kans dat we die schelpen op onze stranden aantreffen is zeer klein daar de Noordzee bezuiden de Doggersbank 50 meter of minder diep is.
- Dichtheden
- Het aantal exemplaren per vierkante meter
- Voortbeweging
- De minst bewegelijke manier van leven is door hechting van een van de kleppen op een substraat. Dit is wat bijvoorbeeld de oesters doen. Vast is vast zullen we maar zeggen.
Iets bewegelijker zijn de mosselen. Zij hechten zich aan een oppervlak middels byssus draden. Maar vergis je niet als een mossel wordt aangevallen door bijvoorbeeld een purperslak dan kan hij deze ook in de byssusdraden inspinnen. Wat dan weer heel vervelend voor de purperslak is. De belangrijkste manier bij tweekleppigen om zichzelf voort te bewegen is door gebruik te maken van de voet. De voet wordt meestal gebruikt om zichzelf in te graven. Maar bijvoorbeeld de kokkel kan ook springen met zijn voet om zo te ontsnappen aan aanvallers. De kleppen kunnen ook gebruikt worden om te zwemmen. De kleppen worden dan zo hard dichtgetrokken dat er een waterstraal ontsnapt die het dier voortbeweegt. Dit kan met de apex vooruit of met de apex achteruit. De laatste manier is het gebruik maken van boren. Door de klep te bruiken als boormachine kan bijvoorbeeld een ruwe boormossel zich in hout of veen boren. Maar ook steen, klei en andere substraten kunnen gebruikt worden om in te boren. Het grote voordeel van deze manier van leven is dat het substraat als extra bescherming werkt.
- Saleniteit
- Het minimale en maximale zoutgehalte dat ze nodig hebben om te kunnen overleven
- Temperatuur
- De temperatuur range die nodig is om in leven te blijven
- Verspreiding
- Het aardrijkskundige gebied waarin we de schelp aantreffen. Bijv. Noordzee, Oostzee, Atlantische Oceaan, etc.
In deze sectie proberen we een beschrijving te geven van de vorm van de schelp, te beginnen bij de maten.
Bij de vorm beschrijving en bij het meten is het van belang om te weten hoe we dat doen. Daarvoor hebben we een vast punt nodig van waaruit we vertrekken en dat is de apex. Daar waar de kleppen aan elkaar zitten (bij doubletten) of aan elkaar gezeten hebben noemen we de apex, dit is tevens het eerst gevormde deel van de schelp. De meeste schelpen op deze site zijn afgebeeld met de apex boven. De kant waar de kleppen het verst van elkaar kunnen is de onderrand.
De maten op deze site voor de hoogte, lengte, breedte en dikte zijn allemaal opgegeven in milimeters. We proberen zoveel mogelijk de maximale maat aan te geven. De reden dat wij gekozen hebben voor de maximale maat en niet voor de veel gebruikte gemiddelde maat is dat het automatisch laten doorzoeken van een database op deze manier eenvoudiger wordt. Stel u heeft een schelp gevonden van 20 mm breed, dan kan als zoek creteria dus alles wat groter is dan 20 mm afvallen.
Daar de meeste literatuur uitgaat van de gemiddelde maat zal dus veel van de data op onze website uit deze maten bestaan. Als u iets gevonden heeft dat groter is dan de hier vernoemde maten, dan graag doorgeven aan info@strandvondsten.nl.
De schelp is de bescherming van het weekdier dat in de schelp leeft en is de productie van dit weekdier. De mantelrand maakt de ostracum en periostracum laag, terwijl de gehele mantel het hypostracum afscheid (als deze aanwezig is).
- Basis vorm
- Een grove beschrijving van de vorm in geometrische termen zoals rond, ovaal of driehoekig.
- Hoogte
- De hoogte is de afstand van de apex tot de onderrand.
- Lengte
- De lengte is de afstand van de voorrand tot de achterrand.
- Semidiameter
- Met de semidiameter bedoelen we op deze site de maat vanaf het commissuurvlak tot de maximale schelp boling. Vaak treft u hier alleen tekst aan welke een beschrijving geeft van de boling van de schelp.
- Dikte
- De dikte is de maximale dikte van het schelp materiaal. Of een omschrijving, daar dit zeer moeilijk te meten is. Het gaat altijd om vers materiaal, dus opmerkingen als "doorschijnend" hebben betrekking op schelpen van levende of kort geleden gestorven dieren. Fosiele vormen zijn vaak ondoorschijnend.
- Convexiteit
- De bolling van een klep; deze kan worden uitgedrukt in een formule C=100S/H, waarbij de C de convexiteit is, S de semidiameter en H de hoogte.
- Bovenrand
- Een nadere beschrijving van de bovenrand. Het gaat hierbij niet om het slot deel maar zuiver om de vorm. In andere documenten ook wel de dorsale rand genoemd
- Onderrand
- Een nadere beschrijving van de onderrand. In andere documenten vaak basale rand genoemd.
- Voorrand
- Een nadere beschrijving van de voorrand.
- Achterrand
- Een nadere beschrijving van de achterrand.
- Commissuur
- De lijn waar de twee kleppen elkaar raken; deze gebogen lijn ligt meestal in een vlak, het commissuurvlak.
- Gelijkzijdig
- Een schelpklep is gelijkzijdig als de apex in het midden ligt en de voorzijde gelijk is aan de achterzijde. Dit geldt voor zowel sculptuur als voor vorm.
- Gelijkkleppig
- Een schelp is gelijkkleppig als beide schelpkleppen (zowel links als rechts) hetzelfde zijn. Dit geldt niet voor het slot.
- Oren
- Bij de Teredinidae het met de klep vergroeide achterste deel (ik zou bijna zeggen een vergroeide siphonoplax). Of de waaiervormige vergroeiing bij de top (voor en achter) van de Pectinacea en Pteriacea.
- Umbo
- Het eerst gevormde deel van de schelp en de daarop volgende gewelfde groeizone. Deze zone kan een paar kenmerkende eigenschappen hebben:
- opisthogyr
- De umbo is naar achteren gericht
- prosogyr
- De umbo is naar voren gericht
- orthogyr
- De umbo's zijn naar elkaar gericht
- spirogyr
- De umbo's van elkaar af gericht
- Apex
- Het oudste deel van de schelp gelegen aan de bovenrand. Onderdeel van de umbo. Belangrijkste determinatie kenmerken van de apex zijn of deze in het midden ligt of niet.
- Apex hoek
- De hoek die wordt gevormd door de bovenrand links en rechts van de apex.
Het periostracum is in het Nederlands bekend als de opperhuid. Het is de buitenste laag van de schelp, opgebouwd uit conchioline vermengd met kalk, en beschermt de schelp tegen de inwerking van (zee)water en zuren.
- Periostracum dikte
- De dikte en resistentie beschrijving.
- Periostracum kleur
- De kleur
- Periostracum structuur
- De structuur, zoals vezelig of glad.
Het ostracum is de tweede laag van de schelp. Deze laag, ook wel prismalaag of porseleinlaag genoemd, bestaat uit calciet, of uit calciet en argoniet, wat voornamelijk bestaat uit calciumcarbonaat. Het zijn kleine primatische kristalletjes die loodrecht staan op de buitenste laag en dan prismalaag heet of als gekruiste lamellen en dan porceleinlaag heet. In beide gevallen hebben we het nog steeds over het ostracum.
- Ostracum dikte
- De dikte van de ostracum laag, bijna nooit ingevuld alleen voor compleetheid aanwezig.
- Ostracum kleur
- De kleur van de schelp is de kleur van verse kleppen. Dit is niet de kleur van het periostracum, maar de kleur van het ostracum, de tweede laag. Het periostracum is bij op het strand gevonden schelpen vaak verweerd.
De op het strand gevonden schelpen kunnen door verwering en inwerking van mineralen in de bodem de meest uiteenlopende kleuren krijgen, maar zijn vaak blauw, grijs of bruin verkleurd. Dit is niet de oorspronkelijke kleur van de schelp.
- Ostracum structuur
- De structuur van de ostracum laag, dus prismalaag of porceleinlaag. Of een meer generieke term als glazend of ruw.
- Groeilijnen
- beschrijving van de groeilijnen en of deze kunnen dienen als jaarringen. De groeilijnen worden veroorzaakt door een periode van langzamere groei.
- Parallelle sculptuur
- Sculptuur die evenwijdig loopt aan de groeilijnen. Ook bekend als concentrische sculptuur en commarginale structuur
- Haakse sculptuur
- De sculptuur die loopt vanaf de top naar de onderrand. Meestal zijn dit ribben met een bepaalde vorm zoals bijvoorbeeld kanteelvormig of golvend, wat goed te zien is aan de onderrand. Ook bekend als radiale sculptuur.
- Rib aantal
- Het aantal ribben
- Rib vorm
- De geometrische vorm als je tegen de kopsekant (onderrand) van de rib aankijkt, bijv. rond, vierkant, langwerpig, driehoekig
- Rib sculptuur
- Sculptuur vormen op de ribben
- Groeven
- Beschrijving van de groeven die ontstaan zijn door de haakse sculptuur. Of groeven die over de schelp lopen en die niets met de haakse of parallelle structuur te maken hebben.
- Groeven sculptuur
- De structuur van de ruimte tussen de ribben.
- Oppervlakte sculptuur
- Sculptuur anders dan de haakse en de parallelle sculptuur. Deze kan bijvoorbeeld bestaan uit putjes, stekels, knobbels, schubben of groeven.
- Schubben
- Een beshrijving van de schubben
- Knobbels
- Een beschrijving van de knobbels
- Stekels
- Een beschrijving van de stekels
- Putjes
- Een beschrijving van de putjes
- Kiel
- Een haakse/radiale vouw.
- Sulcus
- Radiale groef of uitholling.
- Lunula
- Bij de meeste tweekleppigen op de buitenkant te vinden veldje voor de umbonen. Vaak hartvormig (bij een doublet) en afwijkend in sculptuur en kleur van de rest van de schelp.
- Areola
- Bij sommige tweekleppigen te onderscheiden omzooming van de lunula.
- Area
- Een min of meer duidelijk begrensd langwerpig veld achter de umbonen bij een deel van de tweekleppigen, naast en achter het uitwendig ligament. In het algemeen is het afwijkend van sculptuur van de rest van de schelp.
- Hypostracum
- De binnenste van de drie lagen (niet altijd aanwezig) ook wel parelmoerlaag genoemd. Deze laag is opgebouwd uit koolzure kalk die is afgezet in zeer dunne bladvormige kristallen. Wordt gemaakt door de gehele mantel.
- Binnenkant kleur
- De kleur aan de binnenkant van de schelp.
- Binnenkant structuur
- De structuur van de binnenkant van een klep. Dit kan zijn glad, ruw, glanzend, etc.
- Umbonale holte
- Onder de slotplaat gelegen holte.
- Apofyse
- Vrijstaand, met de welving van de schelp meebuigend tandvormig uitsteeksel, dienend voor de aanhechting van spieren, niet te verwarren met de chondrofoor.
- Septum
- Schot aan de binnenkant, direct onder de apex.
Tot het slot behoren de slotplaat met tanden en het ligament.
- Ligament
- Het ligament zorgt ervoor dat de klep in rust toestand open staat. Door het gebruik van de sluitspieren kan het dier de kleppen sluiten.
Er zijn twee methoden die apart of gecombineerd gebruikt worden om de klep open te houden. De eerste mogelijkheid is door middel van een band conchioline die de klep open trekt. Deze band bevindt zich nabij de apex van de schelp. De andere mogelijkheid is dat de schelp een prop conchioline in de schelp heeft, die de schelp min of meer open duwt. De prop wordt resilium genoemd, en de band tensilium.
- Nymf
- Aanhechtingsplek voor het tensilium. Er zijn verschillende manieren waarop de nymf zich kan manifesteren:
- extravert
- verzonken langwerpig veld of groeve aan de achter-bovenzijde van de klep
- ingesloten
- binnen het area
- introvert
- aan de binnenzijde van een klep waarneembaar als een kalklijst
- Tensilium vorm
- We kennen drie vormen van het tensilium:
- parivinculair
- lang en cylindervormig, dit is de meest voorkomende.
- alivinculair
- breed en plat, onder andere te zien bij de clycymeris soorten en de lima soorten
- multivinculair
- Bestaande uit vele kleine strengen
- Tensilium plek
- We kennen twee mogelijkheden:
- opisthodeet
- Als het tensilium achter de top gelegen is
- amphideet
- Als het tensilium zowel voor als achter de top ligt
- Tensilium kleur
- De kleur van het tensilium
- Resilium vorm
- De vorm van de prop die het resilium is.
- Resiliumveld
- Plek vlak onder de top waarin zich het resilium bevond of bevindt. Bij sommige soorten kan deze plek uitgegroeid zijn tot een chondrofoor. Dit is een lepelvormig uitsteeksel waarop zich het resilium bevindt. Het resiliumveld kan dan ook een beschrijving bevatten van het veld, of alleen maar de term chondrofoor bevatten, waarna bij chondrofoor de verdere beschrijving volgt.
- Chondrofoor
- Resilium kleur
- de kleur van het resilium
- Slotplaat
- Inwendinge plaat waarop de tanden staan.
- Slot-type
- Tweekleppigen zijn bij de top met elkaar verbonden via een slotband en tanden zorgen ervoor dat de klep op de juiste manier sluit. Volgens Clarkson (1993) kennen we 7 slot-typen gebasseerd op de verschillende manier waarop tanden zijn gevormd. Historisch gezien is het taxodonte slot de oudste verschijningsvorm.
Er zijn in de literatuur nogal wat verschillende beschrijvingen, dus allen zijn hier opgenomen. Nadere bestudering van literatuur en schelpen zal uitsluitsel moeten geven welke beschrijving we op deze site gaan hanteren. - Anodont
- Een slot zonder tanden
- Heterodont
 Een heterodont slot heeft 2-3 cardinale tanden direct onder de top en enkele laterale tanden langs de voor- en achterrand. Meeste recente en tertiare tweekleppigen hebben deze tanden. - Taxodont
- Een taxodont slot heeft vele tanden die subparallel of radiaal geordend zijn. Groot aantal gelijkvormige tanden recht of chevronvormig (V-vormig).
- Desmodont/Dysodont
- Een dysodont slot kleine simpele tanden aan de rand van de klep. Of: tanden in de vorm van een aantal knobbeltjes
- Isodont
- Een isodont slot heeft zeer grote tanden aan beide kanten van de resiliumgroeve. Of: enkele symmetrische gerangschikte tanden
- Schizodont
- Een schizodont slot heeft zeer grote tanden met parallele groeven evenwijdig met de as van de tand.
- Pachydont
- Een pachydont slot heeft grote, zware, lompe tanden. De vertanding komt alleen voor in "rudists"
- Slottanden
- Cardinale tanden
- De tanden direct onder de top
- Voorste cardinale tanden
- beschrijving van de voorste tanden
- Achterste cardinale tanden
- beschrijving van de achterste tanden
- Laterale tanden
- De tanden die lopen langs de bovenrand
- Voorste laterale tanden
- Tanden het dichtst bij de apex
- Achterste laterale tanden
- Tanden het verst bij de apex vandaan
- Mantellijn
- De tweekleppigen (bivalvia) behoren tot de weekdieren. Deze weekdieren beschermen zichzelf door twee schelpkleppen die ze zelfbouwen. De kleppen scharnieren aan de bovenrand. De schelp wordt gemaakt door de mantel. De rand van deze mantel zit met spiertjes vast aan de schelp en na de dood blijft in de binnenkant van de schelp de laatste aanhechtigsplaats zichtbaar. Deze lijn staat bekend als de mantellijn.
- Mantelbocht
- Bij gevaar moeten echter de siphonen volledig binnen de schelp ingetrokken kunnen worden en dit kunnen we zien aan de mantelbocht in de schelp. Als een schelp een mantelbocht heeft weten we zeker dat het weekdier siphonen had, maar hoe dieper de mantelbocht is deste langer waren de siphonen.
- Siphonretractor-indruksels
- De spier die gebruikt wordt om de siphonen in te trekken laat ook zo zijn sporen na op de schelp, namelijk het zo genaamde Sifonretractor-indruksels. Helaas valt deze in de mantellijn is vaak slecht zichtbaar
Een tweekleppige moet zijn kleppen actief sluiten. In rust toestand staat de schelp open. Om hem te sluiten gebruikt het weekdier sluitspieren. De sluitspieren laten over het algemeen duidelijk indrukken in de schelp achter.
Voor de naamgeving en onderverdeling hanteren wij het volgende: - Monomyaar
- Slechts een sluitspierindruksel, dit is meestal het achterste spierindruksel.
- Dimyaar
- Anisomyaar
- twee spierindruksels van min of meer gelijke grote
- Isomyaar
- twee duidelijk ongelijke spierindruksels, dwz. een spierindruksel is duidelijk kleiner dan het andere. Hierbij is het grootste indruksel vaak het achterste.
- Trimyaar
- Drie spierindruksels:
- De schelpen uit de familie Pholadidae hebben een aanvullende derde sluitspier, welke bekend is als 'accessorische sluitspier'. Deze is te vinden direct onder de mantelbocht. De mantellijn is aldaar dan ook vervormd tot een veldje.
- Ook bij de Tellinacea en Solenidae is er spraken van een derde spier, namelijk de kruisspier. De kruisspier bestaat uit twee bundels die kruislings de twee kleppen verbinden, en vastgehecht zijn direct onder de mantelbocht. De littekens zijn te zien als twee ronde veldjes.
Een nadere beschrijving van de spierindruksels kan plaats vinden onder de kopjes: Voorste sluitspierindruksel, Middelste sluitspierindruksel en Achterste sluitspier indruksel. Zowel de kruisspier als de accessorische sluitspier vallen hierbij onder het kopje Middelste sluitspierindruksel.
- Sluitspierindruksels
- zie Sluitspieren
- Voorste sluitspierindruksel
- zie Sluitspieren
- Middelste sluitspierindruksel
- zie Sluitspieren
- Achterste sluitspierindruksel
- zie Sluitspieren
- Voetprotractor-indruksels
- Indruk van de spier waarmee de voet uitgestoken werd.
- Voetretractor-indruksels
- Indruksel van de spier waarmee de voet ingetrokken werd. Te vinden in de umbonale holte.
- Byssusopening
- Opening in de rechterklep van Anomiidae of tussen schelpranden van bijvoorbeeld Mytilidae, Pectinidae, waardoor de byssysdraden lopen. Bij veel Pectinoidea: inkeping in de schelprand van de rechterklep onder het voorste oor, waardoor de byssusdraden lopen.
- Byssus indrukken
- Accessorische schelpstukken
- Accessorische schelpstukken komt men tegen bij de hout, veen en steen boorders. In de overige literatuur vallen daar niet de paletten onder van de houtwormen, op deze site doen we dat echter wel want houtwormen behoren tot de tweekleppigen en dus zijn de paletten accessorische stukken, weliswaar liggen ze ver van de schelp af, maar toch behoren ze tot de kalk stukken die het weekdier beschermen tegen aanvallen. De verschillende accessorische schelpstukken die kunnen voorkomen zijn:
- Hypoplax
- Een langwerpig schelpstuk dat zich aan de achter-onderkant van de schelp bevindt.
- Metaplax
- Een boven stuk dat de opening tussen de tweekleppen aan de voorzijde bedekt.
- Mesoplax
- Een sluitstuk voor de bovenkant van het slot. Ter bescherming van de voorste sluitspier.
- Paletten
- Schelpstukken die het uiteinde van een boorgang kunnen afsluiten. Liggen rondom de siphobuizen.
- Protoplax
- Een schelp stuk, enkelvoudig of gepaard, aan de boven-voorzijde van de schelp. Het bedekt gedeeltelijk de boven-voorzijde om het gat te sluiten tussen de kleppen.
- Siphonoplax
- Een of meer delen die zich bij de achterzijde van de schelp bevinden. Ze bedekken gedeeltelijk de siphonen.
- Lichaam
- Generieke beschrijvingskenmerken
- Mantelkleur
- De kleur van de mantel
- Mantelrand
- Beschrijving van de mantelrand
- Kieuwen
- De weekdieren halen aan de achterkant water binnen, filteren het op zuurstof en voedsel via een kam-achtige kiew die ctenidium genoemd wordt. En lozen het restwater ook weer aan de achterkant.
- Siphonen
- Omdat veel tweekleppigen zich ingraven is het belangrijk om de in- en uitstroom openingen boven het zand te houden. Hiervoor hebben sommige soorten een verlengd deel van de mantel dat siphon genoemd wordt. Hoe dieper ingegraven de soort leeft deste langer zijn de siphonen.
- Instroomsipho
- Uitstroomsipho
- Darmkanaal
- Beschrijving van het darmkanaal
- Maag
- Excrementen
- Voorste sluitspier
- zie Sluitspieren
- Achterste sluitspier
- zie Sluitspieren
- Voet functie
- Voet vorm
- Voet kleur
- Byssus
- Een bundel vezels van hoornachtig organisch materiaal (colageen), afgescheiden door de voet van bepaalde tweekleppigen, waarmee de dieren zich vasthechten aan een substraat of in de grond.
- Byssus vorm
- Byssusklier
- Geslacht
- Geslachtsklieren
- Mannelijke geslachtsklieren
- Vrouwelijke geslachtsklieren
- Foto verantwoording
- Tekst
- Meer informatie
- Fauna van Nederland Aflevering XII Mollusca (I) C. Lamellibranchia, Tera van Benthem Jutting, A.W. Sijthoff's Uitgeversmaatschappij
- Wikipedia
- NMV infoblad 12
- http://www.mijnwoordenboek.nl/
|