Pomatoschistus Microps [Krøyer, 1838]
Brakwatergrondel
index - vissen - Gobiidae - Pomatoschistus
   
 Synoniem Gobius microps
 Lengte 70 mm
 Kleur lichtgrijs tot zandkleurig met een netwerk van donkere stipjes2, ca. 8 bruinachtige vlekken op de flanken1, vage donkere dwarsbandjes op de rugzijde.2
 Beschrijving Goed te houden in aquaria, als ze voorzichtig worden behandeld tijdens vangst en transport. Planten zich ook voort in gevangenschap.1
 Lichaam slank, 39-52 schubben van borstvin tot staart2
 Kop Bovenkant tot de rugvin zonder schubben2
 Zijlijn onduidelijk of ontbeekt geheel1
 Tastzintuigen over het gehele lichaam verdeeld1
 Rugvin 6-7 vinstralen2, onduidelijke bruine vlekjes1, mannetjes met zwart vlekje op de achterrand2
 Vetvin 9-11 vinstralen2
 Staartvin donkere stip op de staart wortel1
 Anaalvin 9-11 vinstralen2
 Buikvin in de regel vergroeid tot een vlakke zuignap1
 Borstvin 18 vinstralen, driehoekige, donkere vlek op de basis2
 Habitat tussen de 0-20 meter, meest op ondiepe plekken (0,2 - 2,0 meter boven GLW)1,2,3, zandgrond
 Saleniteit kan leven in zowel zoet-, brak- als zoutwater3
 Temperatuur kan sterke schommelingen in temperatuur verdragen, temperaturen beneden 0°C zijn fataal.3
 Leven  
 Paaitijd in de zomer (juni-augustus) van het tweede levensjaar3
 Paaigebied in de estuaria3
 Eieren 1 mm1, aan schelpen gehecht3, enkele duizenden, worden door het mannetje verzorgd3
 Larvale fase bij hun geboorte 3 mm, leven vanaf juli pelagisch in de estuaria1,3
 Juveniele fase gaan in augustus tussen de 11 en 12 mm over tot de bodem fase, bij temperaturen beneden de 5-7°C, in de herfst of winter migreren ze naar dieper water, tot 10 meter, om te overwinteren, boven de 7°C blijft deze migratie uit3
 Groei herfst van 1ste levensjaar een gemiddelde lengte van 39 mm en na het 2de levensjaar een lengte van 51 mm
 Levensverwachting 20 maanden2, een enkeling (1-2%) redt het om in het derde levensjaar nog een keer te paaien.3, sterven meestal na het paaien in de vroege zomer3
 Voedsel carnivoren3, larven leven voornamelijk van nauplii van copepoden en in de jonge demersale stadia voeden ze zich met copepoden. Grotere grondels zijn typische (epi)benthos eters en voeden zich in volgorde van afnemende belangrijkheid met schaaldieren (krabben, garnalen), wormen (pieren), en tweekleppigen3
 Vijanden platvis, kabeljauw, wijting, vogels3, zuurstof verzadiging beneden de 20% is dodelijk, beneden de 30% krijgen ze sublethale verschijnselen.3
 Verspreiding Europese kusten, Noordzee en Oostzee. Langs de Nederlandse kust algemeen, voornamelijk in brakwater. In de waddenzee zeer algemeen.2
 Bronnen  
 Tekst 1 - Muus, B.J., Elseviers Zeevissengids (zeevissen en zeevisserij in Noordwest-Europa), Elsevier Nederland B.V., Amsterdam/Brussel, 1978
2 - Nijssen, Han, Veldgids nr 14 Veldgids Zeevissen, Stichting KNNV Uitgeverij, Utrecht 2001
3 - Bergman, M.J.N., Ecologisch profiel van de Grondel, NIOZ, Texel.
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl