| Overzicht | |
| Beschrijving | Pholadidae hebben een uniek geevolueerde schelp. Inplaats van een schelp die de weke delen volledig omsluit graven zij zich in in hout, steen en ander materiaal (zoals in andere schelpen) voor hun bescherming. Om dit te kunnen bereiken hebben de schelpkleppen zich ontwikkeld tot schijdbare, bewegende boor platen, welke meestal te klein zijn om de volledige mollusk te omvatten. Deze gebogen platen hebben aan de buitenkant knobbels of punten om te kunnen raspen. Elke schelphelft heeft ook een uniek lepel vormige apophysis aan de binnenkant. Deze dient als spier aanhechtingspunt om dorsal/ventral bewegingen mogelijk te maken als toevoeging op de anteror/posterior beweging. Verscheidene andere punten markeren andere spierbundels die gebruikt worden voor roterende bewegingen. |
| Tijdvak | Eem1 |
| Synoniemen | Pholas candida [Linnaeus] |
| Het leven | |
| Habitat | borend in veen of, zeldzamer, hout. Ook vaak in stevige klei of in zand. Bijna altijd in vertikale richting van boven naar beneden.1 |
| Voortbeweging | de borende werkzaamheden geschiedt met de raspachtige buitenkant van de schelp en niet door het afscheiden van zuren1 |
| Verspreiding | Oostzijde van de Noord-Atlantische Oceaan van Schotland en Zuid-Noorwegen tot aan en in de Middellandse Zee. Ook in de Zwarte Zee. In de Oostzee tot bij Kiel.1 |
| De Schelp | |
| Basis vorm | langgerekt ovaal |
| Hoogte | 25 mm |
| Lengte | 65 mm |
| Breedte | 16 mm |
| Dikte | Dun, breekbaar1 |
| Bovenrand | voor en over de apex naar buiten omgeslagen en gedeeltelijk met de buitenzijde van de schelp vergroeid, gedeeltelijk vrij, zonder dwarssepten.1 |
| Onderrand | aan de voorkant duidelijke punten |
| Voorrand | rond, weinig gapend |
| Achterrand | driehoekig, weinig gapend |
| Gelijkzijdig | nee |
| Gelijkkleppig | ja |
| Umbo | orthogyr |
| Apex | voor het midden1 |
| Periostracum | |
| Periostracum kleur | geelachtig1 |
| Periostracum structuur | vezelig1 |
| Ostracum | |
| Ostracum kleur | wit of grauwgeel, effen1 |
| Ostracum structuur | wit of grauwgeel, effen1 |
| Parallelle sculptuur | gestreept of geribd1 |
| Haakse sculptuur | ribben sterker in het voorste deel, vager in het achterste deel1 |
| Oppervlakte sculptuur | op de knooppunten van de ribben ontstaan scherpe, schubvormige stekels1 |
| Binnenkant kleur | wit1 |
| Binnenkant structuur | porseleinachtig glanzend1 |
| Umbonale holte | tamelijk sterk gewelfd1 |
| Apofyse | een verbrede, gekromde, iets lepelvormige, tand, ontspringend aan de dorsale rand, diep in de kromming van de umbo.1 |
| Slot | |
| Ligament | ontbreekt of is sterk rudimentair1 |
| Slotplaat | nee |
| Slot-type | anodont |
| Slottanden | 01 |
| Mantellijn | flauw, bijna halverwege de schelp |
| Mantelbocht | diep, onduidelijk aanwezig |
| Sluitspieren | |
| Sluitspierindruksels | 3 |
| Voorste sluitspierindruksel | hecht op de omgeslagen schelprand, aan de buitenkant, dit vervangt het ligament, door de spier te spannen sluit de schelp zich niet, maar opent zich1 |
| Middelste sluitspierindruksel | kruisspier; net onder de mantelbocht |
| Achterste sluitspierindruksel | inwendig1 |
| Voetprotractor-indruksels | op de apofyse1 |
| Voetretractor-indruksels | op de apofuse1 |
| Accessorische schelpstukken | protoplax |
| protoplax | |
| Het Weekdier | |
| Siphonen | 2, omgeven door een mantelbuis die de verlenging is van de mantel, alleen aan de uiteinde gescheiden1 |
| Sluitspieren | |
| Voet | |
| Voet vorm | gespierd |
| Byssus | nee |
| Bronnen | |
| Tekst | 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943. |