Mya arenaria [Linnaeus, 1758]
Strandgaper
 Overzicht  
 Beschrijving Een behoorlijk grote schelp, tot ongeveer 16 cm, met in de linkerklep een duidelijk lepelvormig uitsteeksel. Meestal wit of geelig van kleur. De achterkant is spitser dan de voorrand.
 Vindplaatsen Langs de gehele Nederlandse kust. De exemplaren uit het Plioceen die gevonden kunnen worden op de stranden van Walcheren en Oosterschelde zijn vaak dikker. Ook de schelpen van de Noord- en Zuid-Hollandse kust zijn steviger dan de exemplaren uit de slikgebieden (Zeeland en Wadden).
 Tijdvak Vanaf het Plioceen (3,5 miljoen jaar geleden) tot het Vroeg-Pleistonceen (1,8 miljoen jaar geleden), en vanaf 1245-1275 tot heden. De soort is tussen 1245 en 1275 waarschijnlijk geherintroduceerd door de Vikingen.2 Tussen 1721 en 1810 aanwezig is België3
 Evolutie Oorspronkelijk afkomstig uit de noordelijke Stille Oceaan2
 Synoniemen Gortschelp (vooral de zeer kleine exemplaren)1
 
 Het leven  
 Bevruchting in de zomer1
 Larvale fase larven worden in de Noordzee van juni tot september in het plankton aangetroffen1
 Broed ongeveer 0,4 mm, kruipen vrij rond, of hechten zich met byssus vast aan wieren of substraat1
 Juveniele fase Als ze 2 mm lengte hebben gaan ze zich ingraven en verliezen de byssus1
 Levensverwachting 28 jaar
 Voedsel organismen, zowel plantaardig als dierlijk plankton, kwallen, vissen en detritus, wat door trilharen naar binnengebracht wordt1,3
    Filtratie snelheid tot 50 liter per dag3
 Vijand Gewone strandkrab (Carcinus maenas), mens, vissen, zeehond, vogels1,3,4
 Habitat Ingegraven in zand of slik, volwassen exemplaren kunnen tot wel 50 cm diep ingegraven zitten. De diepte is afhankelijk van de leeftijd: 1 jaar oude schelpjes zitten op ongeveer 5-10 cm diepte, bij 10 jaar kunnen ze tot 40 cm diep zitten. De voet wordt alleen gebruikt om zich vast te houden in de bodem, niet om te kruipen. De wand van de holte, vooral rond de siphonen, in de bodem is versterkt met een bruin beslag dat nog lang intact blijft ook als de bewoner al lang dood is. Losgewoelde schelpen kunnen zich niet opnieuw ingraven en sterven na enige tijd. Kunnen ook in brakwater leven, de schelpen zijn dan kleiner. Ze komen voor vanaf het getijdengebied tot ongeveer 70 meter diep, maar meestal in de bovenste 10 meter.1,2,3
 Saleniteit minimaal 1 ‰
 Temperatuur -2 tot 28°C3
 Verspreiding Gematigde zone van het noordelijk halfrond. Niet in de arctische gordel. In de Atlantische Oceaan van Noorwegen tot West-Frankrijk en Labrador tot Florida. Niet bij Groenland, IJsland en de Far Oer. In het Westen van de Middellandse Zee. In de Oostzee tot in de Botnische Golf. In de Noordelijke Pacifische Oceaan van Victoria (BC) tot Monterey (Cal.), aan de Siberische-Japanse kust van Kamschatka tot bij Nagasaki.1
 
 De Schelp  
 Basis vorm ovaal
    Hoogte 70 Hoogte: 70
    Lengte 155 mm
    Breedte 40 Breedte: 40
    Dikte stevig, ondoorschijnend1
    Bovenrand flauw gebogen of bijna recht1
    Onderrand flauw gebogen1
    Voorrand breed afgerond, gapend1
    Achterrand driehoekig, gapend1
    Commissuur linker klep kleiner dan rechter1
 Umbo naar voren gericht1
    Apex ongeveer in het midden, weinig of niet uitstekend, apex linker klep is altijd iets uigesleten door de articulatie met de rechter klep1
 Periostracum  
    Periostracum dikte zeer dun, slijt snel af
    Periostracum kleur geelbruin
    Periostracum structuur schilferig?, grijpt over de basale rand heen1
 Ostracum  
    Ostracum kleur kalkwit tot geelwit, met roestbruine vlekken?, donkerder bij de apex1
    Ostracum structuur weinig of geen glans1
    Parallelle sculptuur vrij grof en onregelmatig gestreept volgens de groeilijnen1
    Binnenkant kleur wit1
    Binnenkant structuur kalkachtig1
    Umbonale holte tamelijk gewelfd1
 Slot  
    Ligament uitwendig en inwendig1
    Tensilium vorm smal1
    Tensilium plek iets voor de apex reikend1
    Resiliumveld L: chondrofoor
R: holte, voor deze holte is een tandachtig uitsteeksel geplaatst, er achter een korte lijst, bijna evenwijdig aan de bovenrand van de schelp1
       Chondrofoor vertoont een driehoekige uitholling, waarin het resilium aangrijpt, aan de voorzijde is dit vlakje door een opstaand randje begrensd, achter de uitholling en op korte afstand daarvan loopt een schuinachterwaarts gerichte richel, die in een scherpe punt eindigd. De plaats waar de chondrofoor met de bovenste schelprand is vergroeid, reikt duidelijk achterwaarts voorbij de vrije punt van deze schuine richel1
    Slotplaat nee
    Slot-type anodont
    Cardinale tanden 0
    Laterale tanden 0
    Mantelbocht diep1
 Sluitspieren  
    Sluitspierindruksels 2
       Voorste sluitspierindruksel lang, ovaal en iets gebogen1
       Achterste sluitspierindruksel onregelmatig rond-ovaal1
 Byssusopening
 
 Het Weekdier  
 Mantelrand grotendeels vergroeid1
 Siphonen 2, lang, zeer ver uitstrekbaar, door een gemeenschappelijk omhulsel verbonden en een de buitenzijde bekleed met het periostracum. De uiteinden zijn zeer gevoelig voor licht en schaduw1 Zijn te lang om volledig te worden ingetrokken binnen de schelpkleppen.
 Darmkanaal Voedsel wordt door trilharen door het darmkanaal verplaatst en niet door spierbeweging1
 Sluitspieren  
 Voet  
 Byssus nee1
 Geslacht gescheiden1
 
 Bronnen  
 Tekst
  1. Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943
  2. Geologie van Nederland
  3. VLIZ Alien Species Consortium (2008). Strandgaper - Mya arenaria. Niet-inheemse soorten van het Belgisch deel van de Noordzee en aanpalende estuaria. VLIZ Information Sheets, 11. Vlaams Instituut voor de Zee (VLIZ): Oostende, Belgium. 5 pp.
  4. Waddenzeesites
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl