| Overzicht | |
| Beschrijving | Pholadidae hebben een uniek geevolueerde schelp. Inplaats van een schelp die de weke delen volledig omsluit graven zij zich in in hout, steen en ander materiaal (zoals in andere schelpen) voor hun bescherming. Om dit te kunnen bereiken hebben de schelpkleppen zich ontwikkeld tot schijdbare, bewegende boor platen, welke meestal te klein zijn om de volledige mollusk te omvatten. Deze gebogen platen hebben aan de buitenkant knobbels of punten om te kunnen raspen. Elke schelphelft heeft ook een uniek lepel vormige apophysis aan de binnenkant. Deze dient als spier aanhechtingspunt om dorsal/ventral bewegingen mogelijk te maken als toevoeging op de anteror/posterior beweging. Verscheidene andere punten markeren andere spierbundels die gebruikt worden voor roterende bewegingen. |
| Tijdvak | vanaf het Eem |
| Synoniemen | Pholas crispata [Linnaeus]1 |
| Het leven | |
| Habitat | borend in hout of veen of zacht gesteente, een enkele maal vrij in klei of zand. Dikwijls in veenbanken op grote diepte ("moorlog") in de Noordzee.1 |
| Voortbeweging | Kunnen in verschillende richtingen boren. De borende werkzaamheid geschiedt met de gestekelde buitenzijde van de schelp en niet door zuren.1 |
| Verspreiding | Beide zijden van de Noord-Atlantische Oceaan, aan de Amerikaanse kust van Labrador tot Zuid-Carolina, aan de Europese kust van Noord-Noorwegen en IJsland tot West Frankrijk. In de westelijke Oostzee tot bij Kiel. |
| De Schelp | |
| Basis vorm | gestrekt en breed1 |
| Hoogte | 40 Hoogte: 40 |
| Lengte | 90 mm |
| Breedte | 45 Breedte: 45 |
| Dikte | weinig of niet doorschijnend1 |
| Bovenrand | voor de apex naar buiten omgeslagen, grotendeels met de buitenoppervlakte vergroeid en slechts voor een gering deel vrij. Zonder dwarssepten.1 |
| Onderrand | voorzijde geknobbeld |
| Voorrand | schuin afgeknot, sterk gapend, spits toelopend1 |
| Achterrand | van rond naar bijna recht, sterk gapend |
| Commissuur | golvend, schelpen raken elkaar alleen bij de apex en op een punt aan de onderrand |
| Umbo | orthogyr |
| Apex | weinig voor het midden1 |
| Periostracum | |
| Periostracum kleur | geelachtig1 |
| Periostracum structuur | vezelig1 |
| Ostracum | |
| Ostracum kleur | wit of grauwgeel, effen1 |
| Ostracum structuur | weinig of geen glans1 |
| Parallelle sculptuur | achter allen groeilijnen |
| Haakse sculptuur | ribben, aan de voorzijde1 |
| Groeven | 1, van de apex naar de onderrand, verdeel de schelp in twee delen een voorste en een achterse met een verschillende sculptuur |
| Oppervlakte sculptuur | aan de voorkant stekelig1 |
| Hypostracum | kalkachtig tot porselein1 |
| Binnenkant kleur | wit1 |
| Binnenkant structuur | kalkachtig of porseleinachtig, de groef van de buitenkant is aan de binnen kant als richel zichtbaar1 |
| Umbonale holte | tamelijk gewelfd1 |
| Apofyse | L: een verbrede, gekromde, en iets lepelvormige uitgeholde tand, ontspringend diep in de kromming van de umbo aan de dorsale rand.1 |
| Slot | |
| Ligament | ontbreekt of is sterk rudimentair1 |
| Slotplaat | nee |
| Slot-type | anodont |
| Slottanden | 01 |
| Mantellijn | flauw |
| Mantelbocht | flauw, reikt tot over het midden |
| Sluitspieren | |
| Sluitspierindruksels | 3 |
| Voorste sluitspierindruksel | op de omgeslagen bovenrand, buiten de schelp1 |
| Middelste sluitspierindruksel | kruisspier; net onder de mantelbocht |
| Achterste sluitspierindruksel | inwendig1 |
| Voetretractor-indruksels | op de chondrofoor1 |
| Accessorische schelpstukken | mesoplax |
| mesoplax | |
| Het Weekdier | |
| Siphonen | 2, grotendeels in een gezamelijk omhulsels opgesloten, alleen de uiteinden zijn vrij1 |
| Sluitspieren | |
| Voet | |
| Voet vorm | gespierd |
| Byssus | nee |
| Bronnen | |
| Tekst | 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943. |