Hiatella arctica [Linnaeus, 1767]
Noordse rotsboorder
 Overzicht  
 Tijdvak Oligoceen
 Synoniemen Saxiacava arctica [Linnaeus, 1967]
Saxiacava rugosa arctica [Linnaeus]
 Bijzonderheden Exemplaar op de foto is gevonden onder de rubberrand van een deksel.
 
 Het leven  
 Bevruchting in de zomer
 Larvale fase juli tot december te vinden in zee, een driehoekig schelpje van tot ongeveer 0,36 mm
 Broed gedurende de eerste bodemfase groeit het schelpje tot een gestrekte rechthoek
 Juveniele fase bij een lengte van ongeveer 0,46 mm ontstaan de eerste stekels op de kiel, eerst in 1 rij daarna in twee. Soms is ook nog de bovenrand getand zodat er drie rijen stekels zijn.
 Habitat In de Noordzee tussen 9 en 200 meter, soms veel dieper. Leeft vastgehecht door middel van de byssus aan stenen en schelpen, tussen wier, kokerwormen, eieren van wulken, ook in bestaande holten van rotsblokken, of plastic. Waarschijnlijk niet zelf borend.
 Verspreiding Kosmopoliet.
 
 De Schelp  
 Basis vorm Onregelmatig, langwerpig, soms rechthoekig
    Hoogte 5 mm
    Lengte 25 mm
    Breedte 9 mm
    Dikte vrij stevig, ondoorschijnend
    Convexiteit Rechts convexer dan links
    Bovenrand gebogen, bijna parallel aan onderrand, kleine inzinking voor de apex
    Onderrand golvend, bijna parallel aan bovenrand
    Voorrand rechthoekig, gapend, iets spitser dan achter
    Achterrand rond, niet of weinig gapend
    Commissuur Vorm en afmetingen zijn variabel. In steen geboorde exemplaren zijn vaak sterker vervormd. Rechterklep vaak groter dan linker. Jonge exemplaren meer verlengd van oudere.
 Umbo weinig opgeblazen
    Apex voor het midden
 Periostracum  
    Periostracum dikte vaak langbewaard
    Periostracum kleur geelbruin, grijsbruin
    Periostracum structuur vezelig
 Ostracum  
    Ostracum kleur wit
    Ostracum structuur niet of weinig glanzend
    Parallelle sculptuur onregelmatige strepen of plooien
    Oppervlakte sculptuur Stekels op de kielen bij juveniele exemplaren
    Kiel 2 van de top naar de achterrand
    Binnenkant kleur wit, porselein- of kalkachtig
    Binnenkant structuur glanzend
    Umbonale holte weinig gewelfd
 Slot  
    Ligament uitwendig, kort
    Slot-type anodont, heterodont
    Slottanden Bij oude exemplaren vervagen de tanden, de hele slotplaat wordt dan dikker
    Cardinale tanden L: 2, met daartussen een put voor de rechter tand
R: 1
       Voorste cardinale tanden L: rudimentair, vervlakt in slotplaat
R: kort conisch
       Achterste cardinale tanden L: loopt naar achter toe breed uit
    Laterale tanden 0
 Mantellijn Mantel hecht zich niet overal gelijkmatig aan de schelp, de mantellijn is dan ook onderbroken. De aanhechting is ook niet spiegelbeeldig in de linker en rechter klep
    Mantelbocht Niet altijd duidelijk ontwikkeld (zie ook Mantellijn)
 Sluitspieren  
    Sluitspierindruksels 2
       Voorste sluitspierindruksel heel laag, bij de voorste beneden hoek
       Achterste sluitspierindruksel hoog, vlak onder de slotplaat
 Byssusopening Een kleine spleet
 
 Het Weekdier  
 Mantelrand vergroeid op de openingen voor voet en siphonen na
 Siphonen grotendeels vergroeid
 Sluitspieren  
 Voet  
 Byssus ja
 
 Bronnen  
 Tekst 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943.
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl