| Overzicht | |
| Beschrijving | Pholadidae hebben een uniek geevolueerde schelp. Inplaats van een schelp die de weke delen volledig omsluit graven zij zich in in hout, steen en ander materiaal (zoals in andere schelpen) voor hun bescherming. Om dit te kunnen bereiken hebben de schelpkleppen zich ontwikkeld tot schijdbare, bewegende boor platen, welke meestal te klein zijn om de volledige mollusk te omvatten. Deze gebogen platen hebben aan de buitenkant knobbels of punten om te kunnen raspen. Elke schelphelft heeft ook een uniek lepel vormige apophysis aan de binnenkant. Deze dient als spier aanhechtingspunt om dorsal/ventral bewegingen mogelijk te maken als toevoeging op de anteror/posterior beweging. Verscheidene andere punten markeren andere spierbundels die gebruikt worden voor roterende bewegingen. |
| Het leven | |
| Bevruchting | zomer en het begin van de herfst1 |
| Embryonale fase | krijgt op zeer jeugdige leeftijd al de volwassen vorm1 |
| Habitat | ingeboord in verschillend substraat: hout, veen, gesteente1 |
| Verspreiding | Engelse, Franse en Marokkaanse kust1 |
| De Schelp | |
| Basis vorm | langgerekt ovaal1 |
| Hoogte | 18 Hoogte: 18 |
| Lengte | 35 mm |
| Semidiameter | 15 Semidiameter: 15 |
| Dikte | dun, breekbaar1 |
| Bovenrand | voor en over de apex naar buiten omgeslagen, maar niet, of slechts weinig, met de buitenzijde vergroeid. Zonder dwarssepten. Bij de umbo is de omgeslagen rand plat en knobbelig.1 |
| Onderrand | golvend |
| Voorrand | sterk gapend, met vingerachtige punt1 |
| Achterrand | gapend1 |
| Apex | voor het midden1 |
| Periostracum | |
| Periostracum kleur | grauwbruin1 |
| Periostracum structuur | vezelig1 |
| Ostracum | |
| Ostracum kleur | grijsachtig tot licht vleeskleurig, effen1 |
| Ostracum structuur | weinig of geen glans1 |
| Parallelle sculptuur | gestreept tot geribd1 |
| Haakse sculptuur | ribben, op het voorste deel sterk ontwikkeld1 |
| Oppervlakte sculptuur | op het kruispunt van de ribben scherpe, schubvormige stekels1 |
| Binnenkant kleur | wit1 |
| Binnenkant structuur | porseleinachtig glanzend1 |
| Umbonale holte | sterk gewelfd1 |
| Apofyse | een verbrede, gekromde, iets lepelvormige, tand, ontspringend aan de dorsale rand, diep in de kromming van de umbo.1 |
| Slot | |
| Ligament | ontbreekt of is sterk rudimentair1 |
| Slot-type | anodont |
| Slottanden | 01 |
| Mantelbocht | diep1 |
| Sluitspieren | |
| Sluitspierindruksels | 3 |
| Voorste sluitspierindruksel | hecht vast op de omgeslagen rand, buiten de schelp, deze verbinding vervangt het ligament. door de spier aan te trekken sluit niet de schelp zich, maar gaat juist open1 |
| Middelste sluitspierindruksel | kruisspier; net onder de mantelbocht |
| Achterste sluitspierindruksel | inwendig1 |
| Voetprotractor-indruksels | op de apofyse1 |
| Voetretractor-indruksels | op de apofuse1 |
| Accessorische schelpstukken | protoplax |
| protoplax | |
| Het Weekdier | |
| Siphonen | 2, door een gemeenschappelijke mantelbuis omgeven, slechts de uiteinden zijn vrij1 |
| Sluitspieren | |
| Voet | |
| Voet vorm | gespierd |
| Byssus | nee |
| Bronnen | |
| Tekst | 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943. |