| Overzicht | |
| Tijdvak | vanaf het Tertiair |
| Synoniemen | aziatische tapijtschelp, filippijnse tapijtschelp, Venerupis philippinarum |
| Het leven | |
| Bevruchting | vrij in zee |
| Larvale fase | 2 tot 4 weken, de schelpen zijn dan tussen de 190 en 235 µm |
| Levensverwachting | 14 jaar |
| Habitat | Zand met slik en zand met grind tussen de 1 en 10 meter diep met een zomerwater temperatuur van 18-20°r;C. Jonge exemplaren hechten zich met de byssus aan stenen in het litoraal en hoog in het sublitoraal. Volwassen exemplaren leven tot schelp lengte ingegraven tot een diepte van 10 meter. |
| Verspreiding | Van oorsprong in het zuidelijke deel van de Okhotsk Zee, Japanse Zee en in de Gele en Oost Chinese Zee. In de jaren 1930 geintroduceerd aan de Pacifische kust van Noord-Amerika met de import van oester zaad. In het begin van de 20ste eeuw ook vanuit Japan naar Hawaii getransporteerd waar zich nu ook een populatie bevindt. Door overbevissing verdween bijna de Geruite tapijtschelp. Om toch aan de vraag naar tapijtschelpen te kunnen voldoen werd de Japanse tapijtschelp in 1972 door de Fransen gekweekt. In de UK werden exemplaren uit Oregon (USA) geimporteerd waarna vanuit daar de soort werd geintroduceerd in verschillende Europese wateren (Portugal, Ireland, Spanje, Italië). |
| De Schelp | |
| Basis vorm | ovaal |
| Lengte | 75 mm |
| Semidiameter | tamelijk bol |
| Dikte | meestal stevig en ondoorschijnend |
| Onderrand | glad |
| Voorrand | afgerond |
| Achterrand | afgerond |
| Gelijkzijdig | nee |
| Gelijkkleppig | ja |
| Umbo | naar voren gebogen |
| Apex | voor het midden |
| Periostracum | |
| Ostracum | |
| Ostracum kleur | variabel, een witte basis met meestal een grijs of bruin patroon van streken, maar kan ook bijna geheel wit voorkomen. |
| Ostracum structuur | Zelden glanzend. |
| Parallelle sculptuur | richels, het sterkst aan de voor en achterkant |
| Haakse sculptuur | ribben, het sterkst aan de achterkant |
| Lunula | gerekt hartvormig |
| Areola | duidelijk |
| Area | aanwezig, maar niet duidelijk |
| Binnenkant kleur | wit met soms paars of geel |
| Binnenkant structuur | Vooral in het umbonale deel, vaak fraai glanzend |
| Slot | |
| Ligament | uitwendig, dik bruin, eliptisch gebogen tot bijna de helft naar de achterkant |
| Slotplaat | vrij small |
| Slot-type | heterodont |
| Cardinale tanden |
L: 3, middelste tand gespleten R: 3, midelste en achterste tand gespleten |
| Laterale tanden | 0 |
| Mantellijn | valt niet samen met de mantelbocht, maar vormt er aan de onderzijde een V-vorm mee. |
| Mantelbocht | ja, diep maar niet voorbij het midden |
| Sluitspieren | |
| Sluitspierindruksels | 2, van gelijke grootte |
| Het Weekdier | |
| Mantelrand | glad |
| Kieuwen | twee paar kieuwen, waarvan de buitenste de kleinste zijn |
| Siphonen | 2, kort, de zwarte punten zijn gescheiden aan het eind, kunnen volledig in de schelp getrokken worden. |
| Sluitspieren | |
| Voet | |
| Voet kleur | oranje |
| Byssus | ja, door volwassen exemplaren niet of nauwelijks gebruikt, wel door jonge exemplaren |
| Byssusklier | ja, op de voet |
| Bronnen | |
| Tekst |
1 - http://www.fegi.ru/prim/sea/m_dvu18.htm 2 - http://zipcodezoo.com/Animals/V/Venerupis_philippinarum/ 3 - http://www.fao.org/fishery/culturedspecies/Ruditapes_philippinarum/en |