Venerupis philippinarum [A. Adams and Reeve, 1850]
Japanse tapijtschelp
 Overzicht  
 Tijdvak vanaf het Tertiair
 Synoniemen aziatische tapijtschelp, filippijnse tapijtschelp, Venerupis philippinarum
 
 Het leven  
 Bevruchting vrij in zee
 Larvale fase 2 tot 4 weken, de schelpen zijn dan tussen de 190 en 235 µm
 Levensverwachting 14 jaar
 Habitat Zand met slik en zand met grind tussen de 1 en 10 meter diep met een zomerwater temperatuur van 18-20°r;C. Jonge exemplaren hechten zich met de byssus aan stenen in het litoraal en hoog in het sublitoraal. Volwassen exemplaren leven tot schelp lengte ingegraven tot een diepte van 10 meter.
 Verspreiding Van oorsprong in het zuidelijke deel van de Okhotsk Zee, Japanse Zee en in de Gele en Oost Chinese Zee. In de jaren 1930 geintroduceerd aan de Pacifische kust van Noord-Amerika met de import van oester zaad. In het begin van de 20ste eeuw ook vanuit Japan naar Hawaii getransporteerd waar zich nu ook een populatie bevindt. Door overbevissing verdween bijna de Geruite tapijtschelp. Om toch aan de vraag naar tapijtschelpen te kunnen voldoen werd de Japanse tapijtschelp in 1972 door de Fransen gekweekt. In de UK werden exemplaren uit Oregon (USA) geimporteerd waarna vanuit daar de soort werd geintroduceerd in verschillende Europese wateren (Portugal, Ireland, Spanje, Italië).
 
 De Schelp  
 Basis vorm ovaal
    Lengte 75 mm
    Semidiameter tamelijk bol
    Dikte meestal stevig en ondoorschijnend
    Onderrand glad
    Voorrand afgerond
    Achterrand afgerond
    Gelijkzijdig nee
    Gelijkkleppig ja
 Umbo naar voren gebogen
    Apex voor het midden
 Periostracum  
 Ostracum  
    Ostracum kleur variabel, een witte basis met meestal een grijs of bruin patroon van streken, maar kan ook bijna geheel wit voorkomen.
    Ostracum structuur Zelden glanzend.
    Parallelle sculptuur richels, het sterkst aan de voor en achterkant
    Haakse sculptuur ribben, het sterkst aan de achterkant
    Lunula gerekt hartvormig
    Areola duidelijk
    Area aanwezig, maar niet duidelijk
    Binnenkant kleur wit met soms paars of geel
    Binnenkant structuur Vooral in het umbonale deel, vaak fraai glanzend
 Slot  
    Ligament uitwendig, dik bruin, eliptisch gebogen tot bijna de helft naar de achterkant
    Slotplaat vrij small
    Slot-type heterodont
    Cardinale tanden L: 3, middelste tand gespleten
R: 3, midelste en achterste tand gespleten
    Laterale tanden 0
 Mantellijn valt niet samen met de mantelbocht, maar vormt er aan de onderzijde een V-vorm mee.
    Mantelbocht ja, diep maar niet voorbij het midden
 Sluitspieren  
    Sluitspierindruksels 2, van gelijke grootte
 
 Het Weekdier  
 Mantelrand glad
 Kieuwen twee paar kieuwen, waarvan de buitenste de kleinste zijn
 Siphonen 2, kort, de zwarte punten zijn gescheiden aan het eind, kunnen volledig in de schelp getrokken worden.
 Sluitspieren  
 Voet  
    Voet kleur oranje
 Byssus ja, door volwassen exemplaren niet of nauwelijks gebruikt, wel door jonge exemplaren
    Byssusklier ja, op de voet
 
 Bronnen  
 Tekst 1 - http://www.fegi.ru/prim/sea/m_dvu18.htm
2 - http://zipcodezoo.com/Animals/V/Venerupis_philippinarum/
3 - http://www.fao.org/fishery/culturedspecies/Ruditapes_philippinarum/en
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl