|
Overzicht
|
|
|
Tijdvak:
|
vanaf het Plioceen
|
|
Bijzonderheden:
|
Hecht zich met de linker (bolle) klep op substraat
|
| |
|
Het leven
|
|
|
Geslachtsrijp:
|
na 1 jaar, 2de jaars dieren voornamelijk mannelijk, 3de jaar voornamelijk vrouwelijk, etc.
|
|
Bevruchting:
|
tussen de groeiperioden, temperatuur afhankelijk, hoogtepunt eind juni, begin juli. In het moeder dier enige duizenden tot 1,5 miljoen eieren
|
|
Embryonale fase:
|
tussen de kieuwbladen en de mantel, in de mantelholte voor 7 tot 10 dagen. Verkleuren van melkwit naar blauwgrijs.
|
|
Larvale fase:
|
taxodont slot.
Larvale fase: 8 tot 14 dagen een planktonisch bestaan. Voortbeweging door trilhaarkussen (velum). Bij een lengte van 0,28 tot 0,30 mm zinken ze op de bodem. Zij kruipen met de voet ongeveer een kwartier rond in steeds kleiner wordende spiralen. Daarna komen zij tot rust en uit de byssusklier aan de voet scheiden ze een kleverige substantie af die zich tussen de schelp en de ondergrond verspreidt. De substantie wordt na enkele uren hard.
|
|
Groei:
|
Groei gaat schokkig, soms in paar dagen een nieuwe band, dan weer in weken of maanden niets. De lengte toename heeft vooral in voor- en najaar plaats, vooral de najaarsgroei is belangrijk. Larven en 1 jarigen groeien het hele jaar door.
|
|
Geslachtsrijp:
|
na 1 jaar, 2de jaars dieren voornamelijk mannelijk, 3de jaar voornamelijk vrouwelijk, etc.
|
|
Levensverwachting:
|
20 jaar en ouder
|
|
Habitat:
|
1 tot 50 meter diep, meestal in groepen van 3 tot 5 of meer aan elkaar gegroeid. Hebben een stevige ondergrond nodig, dus niet op zand- of slibbodems.
|
|
Voedsel:
|
diatomeeën, detritus: plantenresten, dierresten
|
|
Verspreiding:
|
Europese kust van de poolcirkel tot Afrika. Ook in de middellandse zee en in de Zwarte Zee. Niet in de Oostzee.
|
| |
|
De Schelp
|
|
|
Hoogte:
|
200 mm
|
|
Lengte:
|
200 mm
|
|
Breedte:
|
L: bol R: plat
|
|
Dikte:
|
80 mm
|
|
Basis vorm:
|
rond tot peervormig
|
|
Bovenrand:
|
onregelmatig
|
|
Onderrand:
|
onregelmatig
|
|
Voorrand:
|
onregelmatig
|
|
Achterrand:
|
onregelmatig
|
|
Commissuurvlak:
|
rond tot peervormig
|
|
Gelijkzijdig:
|
nee
|
|
Gelijkkleppig:
|
nee
|
|
Apex:
|
in het midden
|
|
Periostracum
|
|
|
Ostracum
|
|
|
Ostracum kleur:
|
Grijswit tot bruinpaars met onregelmatige vlekken. Strandmateriaal sterk bruin of blauw verkleurd. Kunnen soms iets groen zijn door geperforeerde algen.
|
|
Concentrische sculptuur:
|
R: ja, lamelvormig, maar slijten snel af
|
|
Radiale sculptuur:
|
L: ribben, onduidelijk golvend
|
|
Oppervlakte sculptuur:
|
lamellen
|
|
Binnenkant kleur:
|
wit, glanzend, parelmoerachtig
|
|
Slot
|
|
|
Ligament:
|
inwendig
Ligament: grotendeels inwendig
|
|
Tensilium vorm:
|
2 korte banden
|
|
Tensilium kleur:
|
flesgroen
|
|
Resiliumveld:
|
duidelijke groeilijnen
|
|
Resilium kleur:
|
oranjebruin
|
|
Slot-type:
|
anodont
|
|
Cardinale tanden:
|
Echte slottanden ontbreken, aan beide kanten van de top bevinden zich hoogstens wat knobbeltjes, restanten van het taxodonte slot uit de larvale fase
|
|
Laterale tanden:
|
0
|
| |
|
Het Weekdier
|
|
|
Mantel kleur:
|
roomkleurig of geelbruin
|
|
Mantelrand:
|
over bijna de gehele omtrek vrij. Elke rand drie rijen tentakels
|
|
Mantellijn:
|
zonder bocht
|
|
Ctenidia:
|
Twee paar kieuwen. Elk der 4 kieuwplaten bestaat uit talrijke filamenten, die door kleine weefselstrengetjes onderling verbonden zijn. Geen trilhaartjes. Roomkleurig of bleekbruin.
|
|
Siphonen:
|
nee
|
|
Mantelbocht:
|
nee
|
|
Sluitspieren
|
|
|
Sluitspierindruksels:
|
1
|
|
Voorste sluitspierindruksel:
|
nee
|
|
Achterste sluitspierindruksel:
|
groot, boonvormig, dof
|
|
Achterste sluitspier:
|
kort, breed en zeer stevig, bestaat uit een glazig en een melkwit deel, het glazige wordt gebruikt om de schelp snel te sluiten, het witte deel om de schelp gesloten te houden.
|
|
Voet:
|
nee
|
|
Byssus:
|
nee
|
|
Byssusopening:
|
nee
|
|
Geslacht:
|
hermafrodiet, afwisselend
|
| |
|
Bronnen
|
|
|
Literatuur:
|
1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943.
|
| |