Petricola pholadiformis [Lamarck, 1818]
Amerikaanse boormossel
index - tweekleppigen - Petricolidae - Petricola
 Overzicht  
 
 Het leven  
 Larvale fase Pelagisch
 Juveniele fase De jonge exemplaren (tot 1 mm) wijken qua schelp sterk af van de volwassen exemplaren. Ze zijn korter t.o.v. de hoogte, de radiaire ribben ontbereken en de kleur is vaak roodbruin tot geelbruin. Pas bij 1,5 tot 2 mm begint de ontwikkeling van ribben. Slottanden in alle leeftijden gelijk.
 Voedsel Eten niet het materiaal waarin ze boren, maar filteren plankton uit het zeewater
 Vijand Vissen (speciaal schol), bedelving door zand of ander sediment
 Habitat leven in spleten of gangen van rotsen (hierdoor raakt hun schelp vaak vervormd). Ook zijn er soorten die in hout, veen of stijve klei boren.
 Verspreiding Oostkust van Noord-Amerika, van de St. Laurens River tot West-Indië, westkust van Afrika (Senegal en Guinea), sedert eind 1800 ook aan de westkust van Midden-Europa. In Europa bijna zeker gekomen omstreeks 1890 via import van Amerikaanse Oesters in Zuidoost-Engeland (Essex). Noordzee verspreiding: Van het Skagerrak tot de Normandische kust.
 
 De Schelp  
 Basis vorm langwerpig cylindrisch
    Hoogte 35 mm
    Lengte 80 mm
    Breedte Breedte:
    Dikte niet doorschijnend
    Bovenrand bijna parallel aan de onderrand
    Onderrand aan de voorkant geribbeld
    Voorrand rond
    Achterrand rond, iets gapend
    Gelijkzijdig nee
    Gelijkkleppig ja
 Umbo prosogyr
    Apex ver naar voren gelegen
 Periostracum  
    Periostracum kleur groenbruin
 Ostracum  
    Ostracum kleur wit tot geelachtig, juveniele exemplaren iets vleeskleurig
    Ostracum structuur zonder glans
    Parallelle sculptuur groeilijnen, onregelmatig van plaatsing en dikte
    Haakse sculptuur ribben, vooral aan de voorkant zeer krachtig
    Oppervlakte sculptuur knobbels op de kruispunten van de concentrische richels en de radiale ribben. Het duidelijkst onder de top.
    Lunula weinig of niet
    Area geheel niet aanwezig
    Binnenkant kleur wit
    Binnenkant structuur iets glanzend, ribben van de buitenkant zijn groeven aan de binnenkant
    Umbonale holte gewelfd
 Slot  
    Ligament uitwendig
    Tensilium vorm kort
    Tensilium plek uitwendig, gesteund door een soort lijst
    Slot-type heterodont
    Cardinale tanden 2
    Laterale tanden nee Laterale tanden: 0
    Mantelbocht reikt tot ongeveer het midden Mantelbocht: vingervormig, diep, tot ongeveer de helft van de schelp, iets schuin oplopend
 Sluitspieren  
    Sluitspierindruksels 2 Sluitspierindruksels: hoog aan de dorsale kant
       Voorste sluitspierindruksel kleiner dan achterste en soms moeilijk zichtbaar
       Achterste sluitspierindruksel rond
 
 Het Weekdier  
 Mantelrand grotendeels vergroeid
 Siphonen zeer groot, aan de basis vergroeid verder vrij
 Sluitspieren  
 Voet  
    Voet vorm klein
 
 Bronnen  
 Tekst 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943.
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl