Mya truncata [Linnaeus, 1758]
Afgeknotte strandgaper
 Overzicht  
 Beschrijving Redelijke grote schelp met een duidelijk afgeknotte achterkant. Het oppervlak heeft grove groeilijnen en de kleur is meestal geelachtig.
 Tijdvak vanaf Plioceen
 Synoniemen geknotte strandgaper, geknotte gaper
 
 Het leven  
 Juveniele fase jonge exemplaren naar verhouding langer gerekt dan volwassenen1
 Levensverwachting 27 jaar
 Vijand vissen, zeehonden, ijsberen, walrussen1
 Habitat van laagwater tot enkele honderden meters diep1, ingegraven in de bodem.
 Verspreiding Arctische zeeën, Atlantische Oceaan, aan de oostzijde zuidelijk tot de Golf van Biscaye, aan de westzijde van Groenland tot Massachusetts. In de Stille Oceaan zuidelijk tot Vancouver in het westen en Sachalin in het oosten. In de Oostzee tot bij Kiel.1
 
 De Schelp  
 Basis vorm ovaal1
    Hoogte 50 mm
    Lengte 80 mm
    Breedte 30 mm
    Dikte stevig, ondoorschijnend1
    Bovenrand flauw gebogen of bijna recht1
    Onderrand recht1
    Voorrand rond, gapend1
    Achterrand afgeknot, gapend
    Commissuur linker klep gewoonlijk iets kleiner dan rechter1
    Oren nee
 Umbo naar voren gericht1
    Apex ongeveer in het midden, niet in het midden1
 Periostracum  
    Periostracum dikte zeer resistent1
    Periostracum kleur geelbruin
    Periostracum structuur schilferig, grijpt over de basale rand heen1
 Ostracum  
    Ostracum kleur kalkwit tot geelwit, met roestbruine vlekken
    Ostracum structuur weinig of geen glans1
    Parallelle sculptuur onregelmatige groeilijnen
    Haakse sculptuur weinig of geen glans1
    Binnenkant kleur wit1
    Binnenkant structuur kalkachtig1
    Umbonale holte tamelijk gewelfd1
 Slot  
    Ligament resilium, tensilium1
    Tensilium vorm smal1
    Tensilium plek iets voor de apex reikend1
    Resiliumveld L: chondrofoor
R: holte, klein, aan het begin van de welving van de umbo. Voor de holte staat een tandachtig uitsteeksel, er achter een korte lijst, bijna evenwijdig aan de bovenrand.1
       Chondrofoor heeft een driehoekige uitholling voor het resilium. Aan de voorzijde is het vlakje begrensd door een opstaand randje, dat in een vrij scherpe punt eindigd. Achter de uitholling loopt een schuin achterwaarts gerichte richel. De plaats, waar de chondrofoor achteraan met de bovenste schelprand is vergroeid, reikt niet verder achterwaarts dan de vrije punt van de schuine richel.1
    Slot-type anodont
    Cardinale tanden nee
    Laterale tanden nee
 Mantellijn duidelijk
    Mantelbocht reikt tot voorbij de top
 Sluitspieren  
    Sluitspierindruksels 2
       Voorste sluitspierindruksel lang, smal, gebogen1
       Achterste sluitspierindruksel rond1
 Byssusopening nee
 
 Het Weekdier  
 Siphonen 2, lang, door een gemeenschappelijk omhulsel verbonden en aan de buitenzijde bekleed met het periostracum1
 Sluitspieren  
 Voet  
 
 Bronnen  
 Tekst 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 12: Mollusca (I) C. Lamellibranchia. Leiden, 1943.
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl