|
Overzicht
|
|
|
Determinatie:
|
1 - Windingen bol, ribben op de laatste winding ongeveer tot aan de basis toe doorlopend: rissoa parva. 2 - Windingen niet zo bol, ribben op de laatste winding vervlakken naar de basis: rissoa membranacea
|
|
Tijdvak:
|
aangetroffen in het jongere Riss-Würm interglaciaal (Eemlagen)
|
|
Synoniemen:
|
Zippora membranacea (J. Adams)
|
| |
|
De Schelp
|
|
|
Hoogte:
|
9 mm
|
|
Breedte:
|
3 tot 4
|
|
Dikte:
|
Enigzins doorschijnend.
|
|
Basis vorm:
|
Ovaal, graankorrelachtig
|
|
Kleur:
|
geelachtigbruin tot paarsachtig grijs, de top vaak donkerder bruinpaars. Vaak met een continue of onderbroken bruine spiraalband even onder de sutuur en soms ook met een tweede en derde band over de peripherie en rondom de navel.
|
|
Opperhuid:
|
Op de toppen van de ribben vaak afgesleten
|
|
Apex:
|
spits, glad, donker gekleurd
|
|
Windingen:
|
7, snel maar regelmatig in grootte toenemend, bol
|
|
Suturen:
|
niet diep, wel duidelijk
|
|
Sculptuur
|
|
|
Winding sculptuur:
|
Zeer fijn gestreept in spirale en vertikale richting, maar bovendien gewoonlijk voorzien van sterk geprononceerde vertikale ribben, waarvan op de laatste winding er 12 tot 16 voorkomen. Naar de mondopening kunnen ze vervagen. Iets glanzend.
|
|
Lichaamswinding
|
|
|
Lichaamswinding maat:
|
onvolwassen exemplaren zijn aan de peripherie van de laatste winding enigzins gekield
|
|
Buitenrand:
|
versterkt door een dikke richel
|
|
Mondopening:
|
spits eivormig
|
|
Mondstand:
|
niet of weinig scheef
|
|
Mondrand:
|
continu, bij geheel volwassen schelpen, basale rand iets uitgebogen. Langs de gehele mondrand van binnen een bruine bies. Aan de overgang van columellaire naar partiele zijde vaak een zeer flauwe knobbelvormige uitbochting.
|
|
Siphokanaal:
|
nee
|
|
Navel:
|
Overdekt, of een zeer nauwe spleet
|
|
Operculum
|
|
|
Operculum kleur:
|
geel
|
|
Operculum materiaal:
|
hoornachtig
|
|
Nucleus:
|
excentrisch
|
| |
|
Het weekdier
|
|
|
Lichaam
|
|
|
Kop
|
|
|
Voet
|
|
|
Radula
|
|
|
Radula formule:
|
2.1.1.1.2
|
|
Rhachis-tand:
|
loopt aan de basishoeken spits uit
|
|
Geslacht:
|
gescheiden
|
| |
|
Het leven
|
|
|
Geboorte:
|
De eieren worden in het voorjaar gelegd op zeegras in grijswitte hoopjes van 3 tot 4,5 mm diameter. De slakjes die zich hieruit ontwikkelen zijn in juli en augustus 1,5 tot 6 mm hoog, in september 5,5 tot 9 mm. Daarna wordt de verdikte mondrand gevormd.
|
|
Levensverwachting:
|
1 jaar
|
|
Habitat:
|
Habitat:
|
|
Verspreiding:
|
Verspreiding: Europese en Noord-Afrikaanse atlantische kusten, Middellandsche Zee, Zwarte Zee, Oostzee.
|
| |
|
Bronnen
|
|
|
Literatuur:
|
1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933.
|
| |