| Overzicht | |
| Synoniemen | Slipper, dubbeldekker, watermuiltje |
| Bijzonderheden | Het muiltje is van oorsprong een bewoner van de Noord-Amerikaanse Oostkust. Omstreeks 1880 werd zij met Amerikaanse oesters geïmporteerd in Engeland waar ze zich snel langs de zuid- en oostkust heeft verspreid. Voor het eerst in 1929 zijn er twee levend verzameld op de Ierse Bank. Waarna het dier zich ook snel verspreidde over de zeeuwse wateren. Daarna ging de verspreiding door naar de waddenzee en de duitse bocht. |
| Het leven | |
| Bevruchting | in Engeland Maart tot November. |
| Eieren | Eieren worden met ongeveer 240 tegelijk in kapsels afgezet en deze zitten als druiven in een tros aan een gemeenschappelijke as, die op het substraat is vast gekleefd. Onder de schelp van de moeder, die niet van haar plaats komt, worden de eieren beschermd. |
| Geboorte | de larven leven ongeveer 14 dagen pelagisch, metamorphoseren en gaan daarna tot leven op de bodem over |
| Habitat | Weinig bewegelijk, jonge exemplaren kruipen nog actief rond. Stapelen zich spiraalsgewijs op elkaar. De jongen beginnen als man en worden in de loop van hun leven vrouw. |
| Voedsel | voedsel wordt doormiddel van trilhaar op de kieuwplaatjes naar de kieuw toegewerveld (zie ook tweekleppigen). Het voedsel bestaat uit microscopische bodem- en planktonorganismen. |
| Verspreiding | Kosmopoliet, behalve in de poolzeeën |
| Vijand | Asterias rubens, stekelhoren, Nucella lapillus, Pleuronectes limanda |
| De Schelp | |
| Hoogte | 20 mm |
| Breedte | 50 mm |
| Dikte | stevig, jonge exemplaren iet doorschijnend |
| Basis vorm | omgekeerd bootvormig |
| Kleur | De buitenkant is geelbruin tot roze, met paarsbruine vlekjes en strepen. De mondopening is glanzend en vaak paarsroze gekleurd. |
| Windingen | 1 tot 1.5 die snel in grote toenemen |
| Suturen | onduidelijk |
| Apex | stomp en omgekruld, steekt niet uit |
| Protoconch | |
| Teleoconch | |
| Groeilijnen | duidelijk |
| Oppervlakte | weinig glanzend |
| Lichaamswinding | |
| Lichaamswinding hoogte | veel groter dan de voorgaande |
| Mondopening | druppelvormig, en voor de helft afgedekt met een witte plaat |
| Mondrand | aangepast aan de ondergrond |
| Binnenkant | porseleinachtig glanzend |
| Binnenrand | parietale zijde heeft in het midden vaak een ondiepe inbochting |
| Siphokanaal | geen |
| Navel | geen |
| Operculum | |
| Operculum materiaal | nee |
| Het weekdier | |
| Lichaam | |
| Lichaamsvorm | nauwelijks in spiraalvorm gewonden |
| Voet | |
| Radula | |
| Radula formule | 2.1.1.1.2 |
| Geslacht | Hermafrodiet |
| Bronnen | |
| Literatuur | 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933. |