Crepidula fornicata [Linnaeus, 1758]
Muiltje
 Overzicht  
 Synoniemen Slipper, dubbeldekker, watermuiltje
 Bijzonderheden Het muiltje is van oorsprong een bewoner van de Noord-Amerikaanse Oostkust. Omstreeks 1880 werd zij met Amerikaanse oesters geïmporteerd in Engeland waar ze zich snel langs de zuid- en oostkust heeft verspreid. Voor het eerst in 1929 zijn er twee levend verzameld op de Ierse Bank. Waarna het dier zich ook snel verspreidde over de zeeuwse wateren. Daarna ging de verspreiding door naar de waddenzee en de duitse bocht.
 
 Het leven  
 Bevruchting in Engeland Maart tot November.
 Eieren Eieren worden met ongeveer 240 tegelijk in kapsels afgezet en deze zitten als druiven in een tros aan een gemeenschappelijke as, die op het substraat is vast gekleefd. Onder de schelp van de moeder, die niet van haar plaats komt, worden de eieren beschermd.
 Geboorte de larven leven ongeveer 14 dagen pelagisch, metamorphoseren en gaan daarna tot leven op de bodem over
 Habitat Weinig bewegelijk, jonge exemplaren kruipen nog actief rond. Stapelen zich spiraalsgewijs op elkaar. De jongen beginnen als man en worden in de loop van hun leven vrouw.
 Voedsel voedsel wordt doormiddel van trilhaar op de kieuwplaatjes naar de kieuw toegewerveld (zie ook tweekleppigen). Het voedsel bestaat uit microscopische bodem- en planktonorganismen.
 Verspreiding Kosmopoliet, behalve in de poolzeeën
 Vijand Asterias rubens, stekelhoren, Nucella lapillus, Pleuronectes limanda
 
 De Schelp  
 Hoogte 20 mm
 Breedte 50 mm
 Dikte stevig, jonge exemplaren iet doorschijnend
 Basis vorm omgekeerd bootvormig
 Kleur De buitenkant is geelbruin tot roze, met paarsbruine vlekjes en strepen. De mondopening is glanzend en vaak paarsroze gekleurd.
 Windingen 1 tot 1.5 die snel in grote toenemen
 Suturen onduidelijk
 Apex stomp en omgekruld, steekt niet uit
 Protoconch  
 Teleoconch  
    Groeilijnen duidelijk
    Oppervlakte weinig glanzend
 Lichaamswinding  
    Lichaamswinding hoogte veel groter dan de voorgaande
    Mondopening druppelvormig, en voor de helft afgedekt met een witte plaat
    Mondrand aangepast aan de ondergrond
    Binnenkant porseleinachtig glanzend
    Binnenrand parietale zijde heeft in het midden vaak een ondiepe inbochting
    Siphokanaal geen
 Navel geen
 Operculum  
    Operculum materiaal nee
 
 Het weekdier  
 Lichaam  
    Lichaamsvorm nauwelijks in spiraalvorm gewonden
 Voet  
 Radula  
    Radula formule 2.1.1.1.2
 Geslacht Hermafrodiet
 
 Bronnen  
 Literatuur 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933.
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl