| Overzicht | |
| Vindplaatsen | Spoelt langs de gehele kust aan aan wier (riemwier). Levend aangetroffen in Zeeland en Hoek van Holland. |
| Determinatie | De europese schaalhorens kunnen het makkelijkst gedetermineerd worden aan de hand van de voet. De gekleurde schaalhoren heeft een zwarte voet, de gewone schaalhoren een groengrijze. |
| Bijzonderheden | De Vita Marina van februari 1966 vermeldt als bijzonderheid de vondst van deze soort op een havenhoofd in Scheveningen. |
| Het leven | |
| Geboorte | De eieren worden afzonderlijk gelegd en zijn pelagisch. Uit de eieren komen de embryonen al op een vroeg stadium vrij. De larvale schelp is aan de top zwak spiraalsgewijs gebogen; bij verdere ontwikkeling breekt deze top af en worrdt met kalk geëffend (2) |
| Groei | Pattella's kleiner dan 30 mm heten juveniel en groter dan 30 mm volwassen |
| Habitat | Leven in de getijde zone op rotsachtige kusten. Ze hebben de neiging om naar een eenmaal uitverkoren rustplek terug te keren. |
| Voedsel | kleine algen |
| Verspreiding | Atlantische en mediterane kusten van Europa |
| De Schelp | |
| Hoogte | 50 mm |
| Lengte | 60 mm |
| Breedte | 40 mm |
| Basis vorm | Stevige schelp in de vorm van een hoedje, punt muts. De verhouding hoogte/breedte is variabel. De schelprand is in vorm aangepast aan de ondergrond. |
| Kleur | Aan de buitenkant grijs tot geelgroen met donkere strepen. De binnenkant is matglanzend geel of groen, met onder de top een glanzend |
| Windingen | nee |
| Suturen | geen |
| Apex | stomp tot spits |
| Protoconch | |
| Teleoconch | |
| Parallelle sculptuur | Vanuit de top lopen ongeveer 15 primaire ribben, soms afgewisseld door fijnere. |
| Lichaamswinding | |
| Mondopening | de gehele onderkant |
| Tandplooien | geen |
| Buitenrand | geen |
| Binnenrand | geen |
| Callus | geen |
| Siphokanaal | geen |
| Navel | geen |
| Operculum | |
| Operculum materiaal | geen |
| Vormen | De verschillende vormen onderscheiden zich voornamelijk in hoogte. Er zijn drie verschillende forma: forma depressa (Penn.), forma intermedia (Jeffr.) en forma elevata (Jeffr.). Het verschil zit hem in de hellingshoek en de plaats waar ze het meeste voorkomen. De hoog conische vorm elevata heeft een hoek tussen voorprofiel en basis van 60 tot 70° en leeft hoger langs de kust dan de depressa vorm die een hoek maakt van 40 tot 50°. Daartussen vindt men de inetrmedia vorm. |
| Het weekdier | |
| Lichaam | |
| Mantelrand | donker omzoomd en draagt draadvormige aanhangsels, welke enigzins intrekbaar zijn |
| Spierindruksel | Hoefijzervormig |
| Voet | |
| Voet vorm | Groot en gespierd, werkt als zuignap |
| Voet kleur | groen-grijs, of geelachtig, kan redelijk donker zijn |
| Tentakels | 2, de pallial tentakels zijn doorzichtig |
| Kaak | hoornachtige, boogvormige kaak staat over de radula |
| Tong | lang, bandvormig |
| Radula | |
| Radula formule | 3.3.1.3.3 |
| Radula vorm | zeer lang tot ongeveer 2x de lengte van het dier en ligt spiraalsgewijs opgewonden |
| Rhachis-tand | heel smal, korter dan de andere en zonder hoornachtige spits |
| Ademhalingsorganen | Geen ctenidiën, maar een krans van plaatvormige kiewen tussen voet en mantelrand. |
| Geslacht | Gescheiden, maar soms hermafrodiet |
| Bronnen | |
| Literatuur |
1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933. 2 - Entrop, Bob, Vita Marina (Varia Maritima), feb. 1966 |