logo
Nassarius reticulatus [Linneaus, 1758]
Gevlochten fuikhoren
index - slakkenhuizen - Nassariidae - Nassarius
gevlochten fuikhoren
gevlochten fuikhoorn2
gevlochten fuikhoorn4
gevlochten fuikhoorn5
gevlochten fuikhoorn6
gevlochten fuikhoorn7
gevlochten fuikhoorn1
operculum
 Overzicht  
 Bijzonderheden: Meer over levende gevlochten fuikhorens kunt u vinden in het artikel over de levende fuikhoren die we vonden in 2007.
 
 De Schelp  
 Hoogte: 25 mm
 Breedte: 15 mm
 Basis vorm: hoog torenvormig
 Kleur: De kleur is middelbruin met donkerbruine of leiblauwe banden.
 Opperhuid: bruin, vezelig, meestal snel afvallend, maar tussen de ribben kan ze langer bestaan
 Apex: Spits
 Windingen: tot 10, regelmatig in grootte toenemend, weinig convex
 Suturen: Ondiep, maar duidelijk
 Sculptuur  
    Oppervlakte: iets glanzend
    Haakse sculptuur: fijne spiraalsgewijze richels
 Lichaamswinding  
    Lichaamswinding maat: groot, ongeveer de helft van de totale hoogte
    Buitenrand: Heeft kleine knobbeltjes Buitenrand: bij volwassenexemplaren lijstvormig verdikt door een brede stevige richel, aan de binnenkant gekarteld
    Mondopening: Ovaal, boven aan iets gespitst
    Mondstand: weinig scheef
    Mond hoogte: 15 mm
    Mondrand: bij verscheidene soorten met een dik, porseleinachtig callus
    Binnenrand: glad Binnenrand: met breed wit porseleinachtig callus dat tegen de laatste winding is uitgespreid
    Callus: Ja
    Siphokanaal: schuin, diep en kort, iets gebogen
 Navel: Nee Navel: gesloten of als een zwakke groeve
 Operculum  
    Operculum kleur: bruin
    Operculum vorm: Ovaal
    Operculum materiaal: hoornachtig
    Nucleus: excentrisch
 
 Het weekdier  
 Lichaam  
    Sipho: zeer lang uitrekbaar, die boven het zand uitsteekt als het dier zich ingraaft
 Kop  
    Tentakels: lang en dun
 Voet  
    Voet vorm: loopt achteraan in twee punten uit
 Radula  
    Radula formule: 1.1.1
    Radula vorm: smal
    Rhachis-tand: met zeer uiteenlopend aantal (7-17) spitsen. Ook kan deze tand asym zijn
 Geslacht: Nassarius
 
 Het leven  
 Eieren: worden met ongeveer 100 tegelijk gelegd gedurende de zomermaanden in platte min of meer driehoekige doorzichtige kruikjes, bevestigd aan wier of ander substraat.
 Embryonale fase: alle eieren groeien uit tot embryonen. Er zijn geen voedingseieren.
 Habitat: in de getijdenzone en iets dieper water. Leeft ingegraven tussen zand en slik, ofwel in holte tussen stenen.
 Voedsel: carnivoor. Voedt zich met wormen, schelpdieren en allerlei aas.
 Verspreiding: Europese kust van de Atlantische Oceaan van Noorwegen tot de Azoren, Middellandse Zee
 
 Bronnen  
 Literatuur: 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933.
 
 © 2009 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl