Urosalpinx cinerea [Say, 1822]
Amerikaanse oesterboorder
index - slakkenhuizen - Urosalpinx
 Overzicht  
 Vindplaatsen Gorishoek, voor het eerst aangetroffen in de herfst van 20071
 Bijzonderheden Oorspronkelijk afkomstig van de noordwestelijke Atlantische kust, van Nova Scotia tot zuidoost Florida. De soort werd eind 1800 voor het eerst buiten haar oorspronkelijke verspreidingsgebied aangetroffen langs de Pacifische kust van de Verenigde Staten en Canada, ongewild vervoerd met oesters. In 1927 werden de eerste levende dieren gemeld uit Europa (Groot Brittannië: oesterpercelen van Essex en Kent), eveneens vervoerd met oesters (van de soort Crassostrea virginica). De verspreiding is echter lokaal gebleven en de Engelse bestanden werden, vermoedelijk vooral als gevolg van TBT, tussen 1970-1997 zelfs gedecimeerd. Pas na de recente ban op TBT ontstonden weer betere condities en hebben zowel de Amerikaanse- als de Japanse oesterboorder zich, vermoedelijk blijvend, in Nederland weten te vestigen.1
 
 Het leven  
 Bevruchting plant zich voort in het voorjaar en de zomer1
 Eieren Vrouwtjes maken daarbij 20-40 plastic- tot leerachtige, deels doorzichtige, vaasvormige eiercapsules vast aan een harde ondergrond.1
 Geboorte Na ca. 8 weken, volledig ontwikkelde slakjes. Er is geen vrijzwemmend larvaal stadium1
 Groei De eitjes worden gelegd
28 dagen oud
na 32 dagen
na 36 dagen zijn de eerste eitjes uitgekomen
na 40 dagen zijn alle slakjes uit hun ei, ze zijn echter in het aquarium niet meer terug te vinden
na 72 dagen vinden we 1 slak terug
na 115 dagen is hij opjacht naar pokken
na 2 jaar - 16 mm2, Vrouwelijke exemplaren (35 mm hoog) worden groter dan de mannelijke (25 mm)1
 Geslachtsrijp 2 jaar2
 Levensverwachting 5-8 jaar2
 Habitat leven in het Litoraal en sublitoraal (intergetijdegebied) tot een diepte van ca. 15 m, bij voorkeur op zachte, modderige bodems van estuariene kustwateren en op stenen en oesterbedden (Cole 1942, Franz 1971).1
 Saleniteit ≥ 10 ‰2
 Temperatuur Optimaal tussen 20 en 25 ° C. Wanneer de watertemperatuur onder de 5 ° Celsius zakt gaan de dieren in de modder in winterslaap.1,2
 Voedsel zeepokken en tweekleppigen. Vooral jonge oesters en mossels staan hoog op het menu, reden waarom de Amerikaanse oesterboorder sedert lang als ernstige plaag beschouwd wordt op commerciële oesterpercelen (Ganaros 1958).1,2 Boren een gat in de schelp van hun prooi en scheiden een zuur-achtige stof af, waarna via een proboscis (zuigslurf) opgeloste weke delen worden verorberd.1 Jonge exemplaren voeden zich met bryozoa, kleine pokken en kleine slakken2
 
 De Schelp  
 Hoogte 35 mm
 Lengte 20 mm
 Kleur beige, grijs, geelwit, bruin, bruinrood, soms oranje. Soms met brede bruine kleurbanden of fijnere kleurstrepen.1,2
 Windingen 5-6, licht trapsgewijs afgezet1, ronde schouders2
    Apex hoek spits1
 Protoconch  
 Teleoconch  
    Parallelle sculptuur op de lichaamswinding 10-12 brede ribben die onderaan de laatste winding vervlakken1
    Haakse sculptuur 16-18 golvende richels1
 Lichaamswinding  
    Mondopening ovaal, bruin, paars, roodbruin1,2
    Mondrand aan de binnenzijde zitten 2-6 kleine, tandvormige knobbeltjes1
    Siphokanaal vrij lang, licht gebogen1, open2
 Operculum  
    Operculum aanwezig ja1
    Operculum kleur bruin1, oranje2
    Operculum materiaal hoornachtig1
 
 Het weekdier  
 Lichaam  
    Huidskleur geelgrijze tot oranje1
 Voet  
 Radula  
 
 Bronnen  
 Websites 1 - http://www.anemoon.org/anm/soortinformatie/amerikaanse-oesterboorder
2 - Smithsonian Marine Station
 
 © 2010 Dennis Leeuw & Anneke van der Lende / Commentaar, aanvullingen en suggesties: info@strandvondsten.nl