| Overzicht | |
| Bijzonderheden | scheiden uit hun hypobranchiale klier een vloeistof af (dibroomindigo), die eerst kleurloos of zwakgeel is, maar in het licht purperrood wordt. Bij sommige grote exotische soorten, die een noemenswaardige hoeveelheid van deze stof produceren, wordt dit purper gewonnen en als verfstof gebruikt. |
| Het leven | |
| Eieren | 400-600 in urnvormige kapsels op stenen en schelpen. De kapsels zijn taai vliezig en geelachtig-rose. In elk ontwikkelen zich slechts 15-45 eieren, de overige eieren klitten aan elkaar tot een centrale dooiermassa waarop de larven zich vast zuigen en zich voeden. |
| Embryonale fase | De ontwikkeling in het kapsel duurt ongeveer 4 maanden waarna de jonge slokjes uitkomen met een schelpje van ongeveer 2 mm. |
| Habitat | Kustzone tot in grote diepte |
| Voedsel | carnivoor. Vooral Mytilus en Balanus. Boort ronde cylindrische gaten |
| Verspreiding | Europese en Amerikaanse kusten van de Noord-Atlantise Oceaan. Noordelijk tot de arctische zone, zuidelijk tot Spanje. Niet in de Oostzee en de Middellandse zee |
| Vijand | zeesterren, meeuwen en voor juvenilen ook vissen |
| De Schelp | |
| Hoogte | 48 mm |
| Breedte | 25 mm |
| Dikte | ondoorschijnend |
| Basis vorm | Bolle horen |
| Kleur | wit, geel of bruin. Soms met twee of drie brede kleurbanden of meerdere smalle strepen. |
| Opperhuid | hoornachtig, vezelig, valt snel af |
| Windingen | 6-7 matig bol, snel in grootte toenemend |
| Suturen | duidelijk, maar ondiep |
| Apex | spits |
| Protoconch | |
| Teleoconch | |
| Oppervlakte | geen glans |
| Parallelle sculptuur | vage tot duidelijke horizontale ribben |
| Haakse sculptuur | duidelijke, fijne spiraalrichels in varieerend aantal. Soms van gelijke en soms van verschillende sterkte. |
| Vertikale sculptuur | exotische soorten vaak met sterke ribben of knobbels |
| Lichaamswinding | |
| Lichaamswinding hoogte | neemt tenminste driekwart van de totale hoogte in beslag |
| Mond hoogte | 20 mm |
| Mondopening | ovaal |
| Mondstand | een weinig scheef |
| Buitenrand | met knobbels op korte afstand van de rand aan de binnenkant, gekarteld volgens de spiraalwindingen, verdikt |
| Mondrand | niet continu |
| Binnenkant | dikwijls zacht rose, geel- of paarsachtig getint |
| Binnenrand | iets gebogen, zijde iets afgeplat, weinig getordeerd, vaak met een overhangende groeve die voor navel aangezien kan worden. |
| Callus | nee |
| Siphokanaal | kort |
| Navel | geen |
| Operculum | |
| Operculum vorm | onregelmatig ovaal |
| Operculum materiaal | hoornachtig, donkerbruin, ovaal |
| Nucleus | excentrisch aan de lange zijde |
| Vormen | forma imbricata zij de kruispunten van de ribben en de richels ruw door kleine, geplooide, schubjes. Variabel in vorm, breed en stevig vooral bij degene die in de branding zone leven, slanke en dunne exemplaren op meer beschutte plekken. |
| Het weekdier | |
| Lichaam | |
| Huidskleur | wit of roomkleurig |
| Voet | |
| Ogen | aan de buitenbasis van de tentakels op knobbels |
| Radula | |
| Radula formule | 1.1.1 |
| Radula vorm | smal |
| Rhachis-tand | lange, dolkvormige middelste spits en 2 veel kortere laterale spitsen |
| Lateralia | sikkelvormig |
| Geslacht | gescheiden |
| Bronnen | |
| Literatuur | 1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933. |
| Foto verantwoording | Beide vondsten komen uit zeeland. De witte uit West-Kapelle en de donkere uit Domburg. |