|
Overzicht
|
|
|
Determinatie
|
| 3 | Is de schelp en de mondopening donker, paarsachtig van kleur; is het eelt dun en transparant; heeft hij 11-19 ribben; is de tophoek ongeveer 49°; is de sutuur duidelijk; is de rand op de buitenlip van de mondopening prominent en breed; zijn de tanden op de buitenlip niet heel duidelijk en ongelijk van vorm, maar zonder een grotere centrale tand? | Ja, Grofgeribde fuikhoren | | | | Nee, Gevlochten fuikhoren |
|
|
Bijzonderheden
|
Meer over levende gevlochten fuikhorens kunt u vinden in het artikel over de levende fuikhoren die we vonden in 2007.
|
| |
|
Het leven
|
|
|
Eieren
|
worden met ongeveer 100 tegelijk gelegd gedurende de zomermaanden in platte min of meer driehoekige doorzichtige kruikjes, bevestigd aan wier of ander substraat.
|
|
Embryonale fase
|
alle eieren groeien uit tot embryonen. Er zijn geen voedingseieren.
|
|
Habitat
|
in de getijdenzone en iets dieper water. Leeft ingegraven tussen zand en slik, ofwel in holte tussen stenen.
|
|
Voedsel
|
carnivoor. Voedt zich met wormen, schelpdieren en allerlei aas.
|
|
Verspreiding
|
Europese kust van de Atlantische Oceaan van Noorwegen tot de Azoren, Middellandse Zee
|
|
Vijand
|
de zeester: wanneer de fuikhoren in aanraking komt met de zeester treden plotseling eigenaardige bewegingen bij de slak op, speciaal wanneer de draadvormige aanhangselen van de voet in contact komen met de zeester. De voet strekt zich dan plotseling zeer sterk, wordt stijf en maakt krampachtige contracties, zodat de slak 1 of meer sprongen maakt. Hiermee hoopt de slak aan de zeester te kunnen ontsnappen.
|
| |
|
De Schelp
|
|
|
Hoogte
|
25 mm
|
|
Breedte
|
15 mm
|
|
Basis vorm
|
hoog torenvormig
|
|
Kleur
|
De kleur is middelbruin met donkerbruine of leiblauwe banden.
|
|
Opperhuid
|
bruin, vezelig, meestal snel afvallend, maar tussen de ribben kan ze langer bestaan
|
|
Windingen
|
tot 10, regelmatig in grootte toenemend, weinig convex
|
|
Suturen
|
Ondiep, maar duidelijk
|
|
Apex
|
Spits
|
|
Apex hoek
|
56°
|
|
Protoconch
|
|
|
Teleoconch
|
|
|
Oppervlakte
|
iets glanzend
|
|
Parallelle sculptuur
|
16-23 dikke, opeengepakte ribben, kunnen soms overheersen
|
|
Haakse sculptuur
|
fijne spiraalsgewijze richels
|
|
Lichaamswinding
|
|
|
Lichaamswinding hoogte
|
groot, ongeveer de helft van de totale hoogte
|
|
Mond hoogte
|
15 mm
|
|
Mondopening
|
Ovaal, boven aan iets gespitst, witachtig
|
|
Mondstand
|
weinig scheef
|
|
Buitenrand
|
dun en smal; heeft kleine knobbeltjes, met een grotere centrale tand
|
|
Mondrand
|
niet continu
|
|
Binnenrand
|
glad
Binnenrand: met breed wit porseleinachtig callus dat tegen de laatste winding is uitgespreid
|
|
Callus
|
Ja; dik; wit
|
|
Siphokanaal
|
schuin, diep en kort, iets gebogen
|
|
Navel
|
Nee
Navel: gesloten of als een zwakke groeve
|
|
Operculum
|
|
|
Operculum kleur
|
bruin
|
|
Operculum vorm
|
Ovaal
|
|
Operculum materiaal
|
hoornachtig
|
|
Nucleus
|
excentrisch
|
| |
|
Het weekdier
|
|
|
Lichaam
|
|
|
Sipho
|
zeer lang uitrekbaar, die boven het zand uitsteekt als het dier zich ingraaft
|
|
Voet
|
|
|
Voet vorm
|
loopt achteraan in twee punten uit
|
|
Tentakels
|
lang en dun
|
|
Radula
|
|
|
Radula formule
|
1.1.1
|
|
Radula vorm
|
smal
|
|
Rhachis-tand
|
met zeer uiteenlopend aantal (7-17) spitsen. Ook kan deze tand asym zijn
|
|
Geslacht
|
Nassarius
|
| |
|
Bronnen
|
|
|
Literatuur
|
1 - Benthem Jutting,Tera Van, Fauna van Nederland, afl. 7: Mollusca (I) A.Gastropoda Prosobranchia et Pulmonata. Leiden, 1933.
|
| |