| Overzicht | |
| Het leven | |
| Eieren | in een brede op zijn kant staande spiraalvormige band |
| Verspreiding | Beide zijden van de Noordelijke Atlantische Oceaan, tot Frankrijk |
| Het Weekdier | |
| Lengte | 40 mm |
| Mantel | gladde rand om de rhinophooropeningen |
| Papillen | grof, met kalknaalden ondersteund |
| Radula | middelste tand is een lang, smal plaatje. De eerste grote zijtanden zijn haakvormig met een iets langere punt, naar het schijnt, dan bij O. aspera. De tweede kleine zijtand is spoel- of enigzins haakvormig. |
| Radula formule | 1-1-1-1-1 |
| Mond | om de mond een halfcirkelvormige huidlob met tentakelachtige hoeken |
| Lichaam kleur | gelig wit, bleek met een donkere bruingrijze marmering op de rug |
| Kieuwen | tot 30 stuks, afhankelijk van de grootte van het dier, dragen een groot aantal zijtakjes |
| Penis | niet bewapend |
| Bronnen | |