| Overzicht | |
| Het leven | |
| Eieren | worden in een opstaande bekervormige band gelegd, april tot november |
| Verspreiding | Middellandse Zee tot Noordelijke zeeën |
| Het Weekdier | |
| Lengte | 40 mm |
| Papillen | zacht, vaak spits, zonder kalkspicula |
| Rhinophoren | zijn geperforieerd en staan vooraan op de rugzijde, hun opening is van onregelmatige lobjes voorzien |
| Rhinophoor kleur | gelig |
| Radula | geen middentand, de eerste zijtand is veel groter anders van vorm, de 3-8 overige zijtanden zijn haakvormig, spits en met kleine spitsjes bezet. De verdere zijtanden zijn kleiner, haakvormig en liggen dicht opeen. |
| Radula formule | (3-8)-1-0-1-(3-8) |
| Mond | omgeven door een brede lob, die op de hoeken tentakelachtig uitgetrokken is |
| Lichaam kleur | geelbruin, wit, roodachtig, bruinzwart |
| Lichaamsvorm | ovaal, zwakgewelfd, kalkspicula komt in de rughuid voor. |
| Mantelrand | vrij breed |
| Kieuwen | 7-9 dubbel- of driedubbelgeveerd, achteraan op de rug om de anus, aan hun basis vergroeid |
| Kieuw kleur | wit met bruine stippen |
| Voet | bijna even breed als het lichaam en kan bij het kruipen uit de mantel steken |
| Penis | meestal bewapend |
| Bronnen | |